Ch 3 - I: Writing (Adverbs & Adjectives)

Welcome to English class!
1 / 30
next
Slide 1: Slide
EngelsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 3

This lesson contains 30 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Welcome to English class!

Slide 1 - Slide

Lesson goals
At the end of this lesson:

- I know what adjectives are and know how to use them
- I know what adverbs are and know how to use them

Slide 2 - Slide

Adjectives & adverbs
Gebruik:
  • om iets te zeggen over een zelfstandig naamwoord
Ze speelt een makkelijk spel.  >  She is playing an easy game.


Adjective = bijvoeglijk naamwoord
Druk op de rode knop.  >  Press the red button.

Slide 3 - Slide

Adjectives & adverbs
Gebruik:
1. om iets te zeggen over een werkwoord
Ze zingt prachtig.  >  She sings beautifully.


Adverb = bijwoord
Beyonce is een ongelooflijk mooie zangeres.  > 
Beyonce is an incredibly beautiful singer.



2. om iets te zeggen over een bijvoeglijk naamwoord

Slide 4 - Slide

Adjectives & adverbs
Jack ging heel snel naar huis.   >   Jack went home really quickly.


3. om iets te zeggen over een ander bijwoord
Je maakt een bijwoord door -ly achter het
bijvoeglijk naamwoord te zetten.

 careful   >   carefully

 dangerous   >   dangerously

Slide 5 - Slide

Adjectives & adverbs
LET OP!!
  • medelinker + y   >   -y wordt -ily
Spelling verandert als het bijvoeglijk naamwoord eindigt op:
terrible  >  terribly           possible  >  possibly
  • -le  >  wordt -ly
angry  >  angrily       easy  >  easily
  • -ic   >   komt -ally achter
fantastic  >  fantastically       optimistic  >  optimistically

Slide 6 - Slide

What is an adjective?

Slide 7 - Mind map

What is an adverb?

Slide 8 - Mind map

Adjectives & adverbs
LET OP!!
to be, to seem, to feel, to look, to smell, to sound, to taste,
to appear, to stay, to become

Na de volgende werkwoorden gebruik je een bijvoeglijk naamwoord in plaats van een bijwoord:
Dinner tasted delicious.


This seems dangerous.


Slide 9 - Slide

Adjectives & adverbs
Uit je hoofd leren:
Dezelfde vorm, dus GEEN -ly
good
fast
long

hard
fast
long

Slide 10 - Slide

Adjectives & adverbs
Adjectives

Adverbs
  • bijvoeglijk naamwoord
  • zegt iets over een zelfstandig naamwoord




  • bijwoord
  • zegt iets over een:
       -  werkwoord
       -  bijvoeglijk naamwoord
       -  ander bijwoord
  • eindigt meestal op -ly

Slide 11 - Slide

DUS...

Ron is a careful driver.

Ron drives carefully.

Slide 12 - Slide

My aunt always cries very ___!
A
loud
B
loudly

Slide 13 - Quiz

Do you know that ___ song?
A
wonderful
B
wonderfully

Slide 14 - Quiz

___, my mum will buy me some birthday presents!
A
Hopeful
B
Hopefully

Slide 15 - Quiz

Wow, Justin sings ___!
I absolutely love him. (fantastic)

Slide 16 - Open question

I am going to be ____ for school! (late)

Slide 17 - Open question

Vinny plays rugby very ____. (good)

Slide 18 - Open question

answered - the question - Hermione
(happy)
Maak een zin en zet de adverb/adjective op de goede plaats

Slide 19 - Open question

That man is a ... (good) friend of mine.

Slide 20 - Open question

The test went ... (good).

Slide 21 - Open question

That boy ran .... (incredible) fast.

Slide 22 - Open question

That is an .........................(incredible) achievment!

Slide 23 - Open question

My grandfather thought my new friend was _____
A
polite
B
politely

Slide 24 - Quiz

Adjectives & Adverbs

.... (unfortunate), I lost my keys on the way home.

Slide 25 - Open question

Adjectives & Adverbs
Mark is a .... (fantastic) athlete.

Slide 26 - Open question

Adjectives & Adverbs
She sings .... (fantastic)

Slide 27 - Open question

Adjectives & Adverbs
The train arrived ... (late) again.

Slide 28 - Open question

Adjectives & Adverbs
That cake smells ... (delicious).

Slide 29 - Open question

Get to work
Blz 162 - 163
Opdr 57 - 58
Done? Grab a book!

Slide 30 - Slide