Toets Hoofdstuk 4 Gedrag

Welkom bij toets biologie 
Hoofdstuk 4, 4.1 tm 4.4 - Gedrag

Lees de vragen goed door, en geef echt antwoord op de vraag. Ga altijd uit van een gezond individu, tenzij het anders staat aangegeven


1 / 23
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

This lesson contains 23 slides, with interactive quizzes and text slide.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Welkom bij toets biologie 
Hoofdstuk 4, 4.1 tm 4.4 - Gedrag

Lees de vragen goed door, en geef echt antwoord op de vraag. Ga altijd uit van een gezond individu, tenzij het anders staat aangegeven


Slide 1 - Slide

Geef de definitie van gedrag.
R, 1p

Slide 2 - Open question

Hieronder staan een aantal voorbeelden van handelingen van kauwen. Kauwtjes zijn vogels die in paren leven en vaak in grote groepen samen optrekken. Worden de handelingen veroorzaakt door een inwendige of een uitwendige prikkel? 
T1, 2p
inwendige prikkel
uitwendige prikkel
Een roofvogel wegjagen
Op zoek naar een partner gaan
Opvliegen om eten te gaan zoeken.
Opkijken als een alarmroep klinkt

Slide 3 - Drag question

Onderstaande zinnen vormen een goede objectieve biologische beschrijving wanneer er drie woorden weggelaten worden. Welke drie woorden zijn dat?

Alex de leeuw uit New York is een echte leeuw. Vaak staat hij bovenop de rots en brult dan intimiderend. De leeuwinnen kijken dan vol aanbidding naar Alex. Nadat Alex klaar met zijn gebrul loopt hij vervolgens triomfantelijk terug naar de leeuwinnen. T1, 3p

Slide 4 - Open question

Noem de vier manieren waarop dieren elkaar signalen kunnen geven.
R, 2p

Slide 5 - Open question

Torenvalken hangen vaak 'biddend' (op één plaats) in de lucht als ze een prooi
waarnemen (zie afbeelding). Als de prooi duidelijk zichtbaar is, maken ze een
plotselinge duikvlucht om de buit, vaak een klein zoogdier, te grijpen.

- Noem de motiverende factor (de reden) die leidt tot dit jachtgedrag
van de torenvalk. T2, 1p

Slide 6 - Open question

Torenvalken hangen vaak 'biddend' (op één plaats) in de lucht als ze een prooi
waarnemen (zie afbeelding). Als de prooi duidelijk zichtbaar is, maken ze een
plotselinge duikvlucht om de buit, vaak een klein zoogdier, te grijpen.

- Wat is de uitwendige prikkel voor een plotselinge duikvlucht? T1, 1p

Slide 7 - Open question

Een bepaalde orchidee maakt geen grote hoeveelheden stuifmeel en ook geen nectar. Een mannetjesbij wordt aangetrokken, omdat de bloem erg lijkt op een een vrouwtjesbij. Mannetjes van deze insecten worden door de vorm van de bloemen aangetrokken: ze proberen met de bloemen te paren. Wanneer een mannetje dat doet, komen door de bouw van de bloem stuifmeelklompjes op zijn kop terecht. Als de insect naar een volgende bloem gaat, worden deze stuifmeelklompjes overgebracht op de stempel van deze bloem.
- Wat is de motiverende factor (de reden) voor het beschreven gedrag van de mannetjes? T2, 1p

Slide 8 - Open question

Een bepaalde orchidee maakt geen grote hoeveelheden stuifmeel en ook geen nectar. Een mannetjesbij wordt aangetrokken, omdat de bloem erg lijkt op een vrouwtjesbij. Mannetjes van deze insecten worden door de vorm van de bloemen aangetrokken: ze proberen met de bloemen te paren. Wanneer een mannetje dat doet, komen door de bouw van de bloem stuifmeelklompjes op zijn kop terecht. Als de insect naar een volgende bloem gaat, worden deze stuifmeelklompjes overgebracht op de stempel van deze bloem.
- Wat is de uitwendige prikkel die leidt tot het beschreven gedrag van de mannetjes? T1, 1p

Slide 9 - Open question

Op de kermis kun je dingen winnen, onder andere knuffels. Een kind wint en mag
kiezen: een hele grote - maar niet zo dure - lieve beer, of een - duurdere - kleine
realistische pop. Het kind kiest de lieve beer.

- Hoe noem je het soort signaal die van de grote beer uit gaat? T1, 1p

Slide 10 - Open question

In de dierentuin in het Engelse Colchester leeft een groep mandril-apen. Sommige dieren trekken zich wel eens terug en gaan liggen met de hand voor de ogen. Andere apen in de groep laten hen dan met rust. Een gedragsonderzoeker denkt dat dit gedrag met de lage sociale status van deze dieren te maken heeft.
- Hoe noem je het gedrag dat een dier met lage status vertoont? T1, 1p

Slide 11 - Open question

De Engelse onderzoeker Huxley beschreef het gedrag van futen. Hij nam onder
andere de zogenaamde pinguïndans waar. De mannelijke en vrouwelijke partner
zwemmen daarbij met de hals over het water gestrekt op elkaar af, met
nestmateriaal (waterplanten) in de snavel. Dan rijzen ze al watertrappelend
borst aan borst omhoog uit het water (zie afbeelding rechtsboven).

- Tot welk type sociaal gedrag behoort de pinguïndans? T1, 1p
A
Broedgedrag
B
Baltsgedrag
C
Territoriumgedrag
D
Dreiggedrag

Slide 12 - Quiz

Wanneer een woerd (mannetjeseend) een vrouwtjeseend tegenkomt, kan hij een speciaal soort poetsgedrag gaan vertonen. Dit gedrag heeft vooral een functie in het voorjaar. Bij het poetsen strijkt hij zijn snavel krachtig langs de slagpennen, waarbij een ratelend geluid ontstaat. Dit is een voorbeeld van geritualiseerd gedrag. Dat is gedrag waarbij kenmerkende elementen worden overdreven of versneld, waardoor een opvallend patroon ontstaat.
- Welke functie heeft het beschreven, geritualiseerde gedrag van de woerd? T1, 1p

Slide 13 - Open question

Een belangrijk prooidier van de torenvalk is de woelmuis. Woelmuizen laten in hun leefgebied geursporen achter die bestaan uit urine en uitwerpselen. De achterste delen van hun lichaam zijn meestal doorweekt met urine. De urine van de woelmuizen weerkaatst UV-licht. Torenvalken kunnen UV-licht waarnemen. Torenvalken kunnen daardoor in korte tijd een groot gebied onderzoeken op de aanwezigheid van woelmuizen. I, 2p
a) noem een voordeel van een urinespoor voor de woelmuis.
b) noem een nadeel van een urinespoor voor de woelmuis.

Slide 14 - Open question

Geef bij a t/m d aan wat voor leerproces hiermee wordt bedoelt. T1, 4p
a) Een studente verhuist naar een flat en komt vlak naast de lift te wonen. De eerste nacht wordt ze steeds wakker wanneer de lift door iemand wordt gebruikt. Na drie nachten heeft ze er geen last van.
b. Nadat een koe een paar keer tegen schrikdraad is gelopen, blijft ze bij de draad vandaan.
c. Een meisje leerde zichzelf precies zo te dansen als Beyoncé.
d. Een ganzenkuiken dat in een broedmachine van Tinbergen was uitgebroed, zag eerst Tinbergen en volgde hem; het kuiken volgde niet de gans die het ei had gelegd en die het kuiken pas later zag.

Slide 15 - Open question

Edelherten leven in roedels. Een roedel bestaat uit herten van verschillende leeftijden. Een oud en ervaren vrouwtjeshert, de leidhinde, heeft de leiding over de roedel. Edelherten leren verstoringen te vermijden. Als de leidhinde eerder door mensen bedreigd is, vlucht ze meteen zodra ze de aanwezigheid van mensen bespeurt. De roedel volgt haar dan. Na verloop van tijd vermijden alle herten in de roedel de menselijke verstoringen.
- Op welk type leerproces berust het vluchtgedrag van de leidhinde? En op welk dat van de andere herten? T2, 2p
A
bij de leidhinde op conditionering, bij de andere herten op gewenning
B
bij de leidhinde op conditionering, bij de andere herten op imitatie
C
bij de leidhinde op gewenning, bij de andere herten op imitatie
D
zowel bij de leidhinde als bij de andere herten op gewenning

Slide 16 - Quiz

Koekoeken zijn broedparasieten. Dat wil zeggen dat het vrouwtje een ei legt in het nest van een andere soort, bijvoorbeeld van een karekiet. De eieren of kleine jongen van deze andere vogelsoort worden door de pasgeboren, nog blinde koekoek uit het nest geduwd . De vogel die het nest heeft gemaakt, treedt daarna op als pleegouder voor de jonge koekoek. Een koekoeksvrouwtje legt haar eieren altijd in nesten van de pleegoudersoort waardoor zij zelf is grootgebracht.

- Door welk leerproces leren koekoeken welke soort als hun pleegouder is opgetreden? T1, 1p
A
Inzicht
B
Gewenning
C
Inprenting
D
Conditioneren

Slide 17 - Quiz

Noorse onderzoekers gaven een groep van 12 koeien een grote houten kist met vers gras. Een vergelijkbare andere groep kreeg een vergelijkbare kist met een doorzichtige deksel waardoor ze het gras niet konden eten, maar wel konden zien en ruiken. Vrijwel alle dieren van de tweede groep gaven op ten minste één andere manier uiting aan hun frustratie: vooral door agressiviteit, maar ook door loeien, het schudden met de kop of kopstootjes. Koeien die vrijelijk hun gang konden gaan met het gras, toonden minder dan de helft van de hoeveelheid agressie dan de andere groep koeien.
- Welke gedragshandelingen hebben de onderzoekers zeker opgenomen in een ethogram? T1, 2p

Slide 18 - Open question

Een volwassen vos kan sneller voedsel, zoals bessen, regenwormen en insecten, vinden dan een jonge vos. Is het vinden van voedsel aangeboren of aangeleerd gedrag? T1, 1p
A
Aangeboren
B
Aangeleerd

Slide 19 - Quiz

Is de volgende bewering goed of fout? Bij meeuwen heet de rangorde binnen de groep pikorde.
T1, 1p
A
Goed
B
Fout

Slide 20 - Quiz

Een leerling doet gedragsonderzoek bij kippen. Hij noteert gedurende 10 minuten de gedragselementen van vier hennen. Hij noteert de volgende resultaten.
Petra: wacht - loopt rond - drinkt - pikt Regien - pikt voedsel - wacht - loopt rond
Liesbeth: loopt rond - pikt voedsel - pikt Heleen - wacht - loopt rond
Heleen: loopt rond - pikt Petra - drinkt - pikt Regien - pikt voedsel - wacht
Regien: loopt rond - wacht - pikt voedsel - loopt rond - wacht - drinkt - loopt rond
De kippen gedragen zich afhankelijk van hun plaats in de rangorde.
- Welke kip staat bovenaan in de pikorde? T1, 1p
A
Petra
B
Liesbeth
C
Heleen
D
Regien

Slide 21 - Quiz

Spreeuwenjongen die pas uit het ei gekomen zijn, hebben hun ogen nog dicht. Wanneer een ouder op het nest landt, sperren ze onmiddellijk hun bek open.

Wat is de uitwendige prikkel voor dit gedrag van de spreeuwenjongen? T1, 1p
A
Honger
B
Het bewegen van het nest
C
Het zien van de ouders
D
Het horen van de ouders

Slide 22 - Quiz

Welke drie onderdelen staan er altijd in een ethogram? R, 2p

Slide 23 - Open question