maar, hoewel, echter, toch, daarentegen, aan de ene kant … aan de andere kant
oorzaak-gevolg
doordat, daardoor, als gevolg van, dat komt door, het gevolg is
conclusie
dus, daarom, dat houdt in, kortom, concluderend, al met al
Slide 13 - Slide
Tekstverband & signaalwoorden
tekstverband
signaalwoorden
doel-middel
zodat, om te, door middel van, met behulp van
voorwaarde
als (… dan), indien, tenzij, wanneer, mits
Slide 14 - Slide
Doel-middel
Bij het tekstverbanddoel-middel gaat het om het bereiken van een bepaald doel. Hiervoor is een middel nodig.
Bijvoorbeeld: Ik ga vanavond vroeg naar bed, zodat ik morgen fit ben voor de wedstrijd.
Doel: fit zijn voor de wedstrijd
Middel: vroeg naar bed gaan
Slide 15 - Slide
Voorwaarde
Het tekstverband voorwaarde geeft aan wat nodig is voordat iets anders kan gebeuren.
Bijvoorbeeld: Ik blijf in conditie, als ik voldoende sport.
Slide 16 - Slide
Wat: Maak opdracht 3 en 5 van cursus 1 paragraaf 5 blz. 34 t/m 35.
Hoe: individueel
Hulp: lesboek, aantekeningen, mevrouw de Vries
Tijd: timer
Klaar?: werk verder aan opdracht 4 en 6 van paragraaf 5.
timer
15:00
Slide 17 - Slide
Welk signaalwoord past in de zin: In een democratie zijn er behalve verkiezingen, ........... vrijheid van meningsuiting en vrije pers.
A
ook
B
daarom
C
dus
D
vervolgens
Slide 18 - Quiz
Welk signaalwoord past in de zin: Een appel is ................................ tot een banaan rond en hard.
A
in tegenstelling tot
B
ondanks
C
evenals
D
behalve
Slide 19 - Quiz
Welk signaalwoord past in de zin: Iedere partij heeft een eigen mening over het onderwijs, .... de leraren moeten meer salaris krijgen. (voorbeeld - toelichting)
A
aangezien
B
omdat
C
want
D
zoals
Slide 20 - Quiz
Voordat ze het vliegtuig mochten betreden werden de paspoorten gecontroleerd. Wat is het signaalwoord?
Slide 21 - Open question
Welk tekstverband is dit?
Slide 22 - Open question
Slide 23 - Slide
timer
10:00
Slide 24 - Slide
Leerdoelen §5
Herhaling vorige les
opdracht 4 maken
Zelfstandig werken
Afsluiting
Slide 25 - Slide
Je kunt tekstverbanden herkennen aan de hand van signaalwoorden.
Lesdoelen
Slide 26 - Slide
Ik eet geen vlees, toch lijkt het mij wel heel lekker. Wat voor een soort signaalwoord is TOCH?
A
Tegenstelling
B
Conclusie
C
Volgorde
D
Tijd
Slide 27 - Quiz
Mijn zusje vindt een pretpark niet leuk, omdat ze nergens in durft. Wat voor een soort signaalwoord is OMDAT?
A
Conclusie
B
Reden
C
Tegenstelling
D
Opsomming
Slide 28 - Quiz
De docent is vandaag ziek. De les gaat dus niet door.
A
Redengevend
B
Concluderend
C
Oorzaak-gevolg
D
Toelichtend
Slide 29 - Quiz
Welk verband herken je in de laatste zin van alinea 3?
A
opsomming
B
tegenstelling
C
chronologisch
D
toelichtend
Slide 30 - Quiz
Opdracht 1 en 2
fragment bekijken
vragen maken
bespreken
Slide 31 - Slide
Wat: Maak paragraaf 5 van cursus 1 af blz. 33 t/m 37. (Behalve opdracht 8 en 9)
Hoe: individueel
Hulp: lesboek, aantekeningen, mevrouw de Vries
Tijd: timer
Klaar?: opdracht 9 alleen maken.
timer
15:00
Slide 32 - Slide
Welk signaalwoord hoort bij het tekstverband "opsommend"?
A
Ook
B
Alles bij elkaar
C
Al met al
D
Zoals
Slide 33 - Quiz
Bij welk tekstverband hoort dit signaalwoord? DAARNA
A
Opsommend
B
Tegenstellend
C
Tijdsvolgorde
D
Concluderend
Slide 34 - Quiz
Wat is het signaalwoord voor het opsommend tekstverband in deze zin? 'Amsterdam is ook een mooie stad!'
A
is
B
ook
C
en
D
stad
Slide 35 - Quiz
In de zomervakantie had ik een bijzonder aardig baantje, maar daar heb ik nu geen tijd meer voor. Wat is het signaalwoord?
Slide 36 - Open question
Welk tekstverband is dit?
Slide 37 - Open question
Extra les
Slide 38 - Slide
Slide 39 - Slide
timer
10:00
Slide 40 - Slide
Leerdoelen §5
Uitlegfilmpje
Opdracht maken
Afsluiting
Slide 41 - Slide
Je kunt tekstverbanden herkennen aan de hand van signaalwoorden.
Lesdoelen
Slide 42 - Slide
Slide 43 - Video
Wat: Maak de online wikiwijs om te oefenen met tekstverbanden en signaalwoorden.
Hoe: individueel
Hulp: lesboek, aantekeningen, mevrouw de Vries
Tijd: timer
Klaar?: lees verder in je leesboek
timer
15:00
Slide 44 - Slide
maken.wikiwijs.nl
Slide 45 - Link
Wat: Zoek een tekst uit. Beantwoord de vragen op het werkblad.