Clase 3.08 - mhv2 - "¡Tienes que ordenar tu habitación!", tener que + infinitivo

Clase 3.08
Hacer (doen/maken):
- ejercicios 1 hasta 3, p.56 (TB)
- ejercicios 1 + 2, p.59 (WB)
- ejercicio 7, p.61 (WB)
- ejercicios 8 + 9, p.62 (WB)

Aprender (leren):
- vocabulario: woordenlijst unidad 3, “¡Tienes que ordenar tu habitación!”
- vocabulario: woordenlijst unidad 3, “Mi mapa mental”
- de vertaling van moeten, página 59 (TB) + aantekeningen
1 / 23
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 2

This lesson contains 23 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 55 min

Items in this lesson

Clase 3.08
Hacer (doen/maken):
- ejercicios 1 hasta 3, p.56 (TB)
- ejercicios 1 + 2, p.59 (WB)
- ejercicio 7, p.61 (WB)
- ejercicios 8 + 9, p.62 (WB)

Aprender (leren):
- vocabulario: woordenlijst unidad 3, “¡Tienes que ordenar tu habitación!”
- vocabulario: woordenlijst unidad 3, “Mi mapa mental”
- de vertaling van moeten, página 59 (TB) + aantekeningen

Slide 1 - Slide

Planificación: Hoy es ...
1. Reglas de la clase
5 min
2. Repaso: los colores y el verbo tener
10 min
3. Gramática: de vertaling van moeten
15 min
4. ¡En marcha!
15 min
5.  Evaluación y la próxima clase
10 min
Después de esta clase... (Na deze les...)
... heb je de kleuren herhaald.
... heb je herhaald hoe je het werkwoord tener vervoegd.
... weet je wat "tengo que ordenar mi habitación" betekent.
... kan je vertellen welke huishoudelijke klusjes jij thuis moet doen.

Slide 2 - Slide

Reglas de la clase
  1. Je telefoon is thuis of in de kluis.
  2. Bij binnenkomst op je plek zitten, jas uit en tas van tafel.
  3. Je hebt altijd je spullen mee: boeken, schrift, pen, opgeladen device.
  4. Als een ander praat, ben je stil en luister je.
  5. Wanneer de docente uitleg geeft, zijn jullie stil en maken jullie aantekeningen in je schrift.
  6. We lachen elkaar niet uit.
  7. Je ruimt pas op als de docent dat aangeeft.
  8. Heb je een les gemist? Vraag aan klasgenoten om aantekeningen, welke opdrachten in te halen...

Slide 3 - Slide

Repaso: los colores y el verbo tener
Pak je device erbij en log in via lessonup.app

Slide 4 - Slide

gris
marrón
verde
rosa
blanco
negro
amarillo
lila
naranja
rojo
azul

Slide 5 - Drag question

Verplaats de bijvoeglijk naamwoorden in de juiste zin aan de hand van de zelfstandignaamwoorden en/of lidwoorden. 
El mercado es _________________.

La escuela es _________________.

Los parques de atracciones son _________________.
importante
pequeño
modernos

Slide 6 - Drag question

Verplaats de bijvoeglijk naamwoorden in de juiste zin aan de hand van de zelfstandignaamwoorden en/of lidwoorden.
Las montañas son _________________.

La ciudad de Nuevas York es _________________.

Los museos son _________________.
tranquilas
turística
grandes

Slide 7 - Drag question

Persoonlijk voornaamwoorden / Pronombres personales
ik
jij
hij
zij (enkelvoud)
u (enkelvoud)
wij
jullie
zij (meervoud)
(meervoud)
nosotros/-as
ellos
yo
usted
vosotros/-as
ellas
ella
ustedes
él

Slide 8 - Drag question

Yo ........... dos libros.
A
tengo
B
tiene
C
tenemos
D
tienen

Slide 9 - Quiz

Ana ........... tres coches.
A
tienes
B
tiene
C
tenéis
D
tienen

Slide 10 - Quiz

Pablo y yo no ........... hermanos.
A
tengo
B
tiene
C
tenemos
D
tienen

Slide 11 - Quiz

Juan y Francisco ........... muchos amigos.
A
tienes
B
tiene
C
tenéis
D
tienen

Slide 12 - Quiz

Gramática: de vertaling van moeten
Maak aantekeningen in je schrift.

  1. Wat zijn de persoonlijk voornaamwoorden?
  2. Hoe vervoeg je het werkwoord tener?

Slide 13 - Slide

Gramática: de vertaling van moeten
In het Spaans gebruiken wij voor moeten het werkwoord

tener que + infinitivo (het hele werkwoord)

Tengo que hacer la cama. --> Ik moet het bed opmaken.
Tenéis que entrar en clase. --> Jullie moeten de klas binnen komen.

Slide 14 - Slide

Practicamos: de vertaling van moeten
Schrijf de antwoorden in je schrift:
1. (yo) _________ sacar la basura.
2. ¿Cuántos años _________ (tú)?
3. Mi hermano _________ hacer la cama todos los días.
4. vertaal: wij hebben
5. vertaal: wij moeten

Slide 15 - Slide

Practicamos: de vertaling van moeten
Schrijf de antwoorden in je schrift:
1. (yo) tengo que sacar la basura.
2. ¿Cuántos años tienes (tú)?
3. Mi hermano tiene que hacer la cama todos los días.
4. vertaal: wij hebben = tenemos
5. vertaal: wij moeten = tenemos que

Slide 16 - Slide

¡En marcha!
Libro de texto: ejercicios 1 hasta 3, p.56
1. ¿Cómo es la habitación de Óscar?
       --> 3 zinnen kloppen, 3 zinnen kloppen niet
2. ¿Qué tiene que hacer Óscar?
       --> Maak hele zinnen.
3. ¿Y tú? ¿Qué tareas tienes que hacer?
       --> Maak hele zinnen.
timer
5:00

Slide 17 - Slide

¡En marcha!
- ejercicios 1 + 2, p.59 (WB)
- ejercicio 7, p.61 (WB)
- ejercicios 8 + 9, p.62 (WB)
timer
18:00

Slide 18 - Slide

Slide 19 - Slide

Evaluación
Después de esta clase... (Na deze les...)
... heb je de kleuren herhaald.
... heb je herhaald hoe je het werkwoord tener vervoegd.
... weet je wat "tengo que ordenar mi habitación" betekent.
... kan je vertellen welke huishoudelijke klusjes jij thuis moet doen.

Slide 20 - Slide

Evaluación

¿Qué significa ...?
- lavar los platos
  • de vaat doen
- hacer la cama
  • het bed opmaken
- poner la mesa
  • de tafel dekken

- ordenar la habitación
  • de kamer opruimen
- sacar la basura
  • het vuilnis buiten zetten
- cocinar
  • koken
- pasar la aspiradora
  • stofzuigen

Slide 21 - Slide

La próxima clase
Vamos a...
... aprender twee onregelmatige werkwoorden.
... repasar el presente.

Deberes:
- Magister.Learn clase 3.08

Slide 22 - Slide

Hasta la próxima clase
  • Stoel netjes aanschuiven.
  • Papieren van de grond / tafels. 

Slide 23 - Slide