V4 les 5 corrigir párrafo II y empezar párrafo III

 b) nadar en el mar
c) montar en tirolina
a) hacer surf
d) navegar en barco
e) bucear
f) pasear por las calles
g) hacer rafting
h) visitar un museo
i) visitar una iglesia
1 / 24
next
Slide 1: Drag question
SpaansMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

This lesson contains 24 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

 b) nadar en el mar
c) montar en tirolina
a) hacer surf
d) navegar en barco
e) bucear
f) pasear por las calles
g) hacer rafting
h) visitar un museo
i) visitar una iglesia

Slide 1 - Drag question

Vas a ver unas imágenes
Habla con tu compañero/a en clase cuál es el objetivo de la clase que está relacionado con esas imágenes

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Escribir una carta informal de tu viaje
Hoy en clase
 has corregido tus errores del II párrafo
sabes 4 actividades sobre tu viaje en Latinoamérica en español

Slide 4 - Slide

La preparación para hoy
aprender todo sobre el indefinido (regular e irregular) (zie bijlage)

aprender todo sobre el imperfecto (regular e irregular) (zie bijlage)
aprender todo sobre hay/ser/estar (zie bijlage)
aprender el género de las palabras (aantekeningen of les in klas lessonup van Spaans periode 3 schrijfvaardigheid)
vocabulario pág. 12 y 13 hol-esp de tu reader nuevo



Slide 5 - Slide

La clase anterior
Contesta a estas preguntas con tu compañero/a en holandés sobre la clase anterior:
1. ¿Qué es el indefinido del yo de ir?
2. ¿Qué es el indefinido del yo de estar?
3. ¿Qué es de munteenheid en español?
4. ¿Cómo se dice en español 5 miljoen inwoners?
5. ¿Cómo se dice en español Perú ligt ten noorden van Argentinië?
6. ¿Que es de taal  en español?
7.  ¿Qué género es nacionalidad?  ¿Por qué?
timer
2:00

Slide 6 - Slide

I párrafo está listo si
Je hebt een inleidende zin geschreven over waar je reis naar toe ging.
Je hebt verteld, waarom je naar dat land op vakantie ging.
Je hebt verteld met wie je op vakantie ging.
Je hebt gezegd, waar het land zich bevindt.
Je hebt verteld, wat de hoofdstad is.
Je hebt opgeschreven, wat de vlag is.
Je hebt verteld, hoeveel inwoners het land heeft.
Je hebt verteld over welke taal ze daar spreken.
Je hebt iets geschreven over de munteenheid.
Je hebt iets verteld over de bezienswaardigheden.

Slide 7 - Slide

Als je een datum gebruikt in een zin dan moet je de......
gebruiken.
A
indefinido
B
imperfecto

Slide 8 - Quiz

Als je wilt vertellen wat er allemaal was in een land dan zeg je dat met
A
era
B
había
C
hubo
D
estaba

Slide 9 - Quiz

Welke vertaling is goed van de zin
Er waren veel mensen?
Waarom?
A
Había mucho gente
B
Había mucha gente
C
Había muchos gentes
D
Había muchas gentes

Slide 10 - Quiz

Apuntes!!!!! Escribe en tu cuaderno
a + el = al (naar de/het)
de + el = del (van de/het)
en = in
del.......hasta el = van .....tot
del lunes 26 de julio hasta el 29 de julio
en + vervoersmiddel = met
Viajé el lunes 26 de julio en avión

timer
1:30

Slide 11 - Slide

Vuestros errores del II párrafo
Levanta los dedos:
un dedo = A
dos dedos = B
etc.

Slide 12 - Slide

¿Qué frase está bien?
A
Salí en el avión a el aeropuerto.
B
Salí en avión a el aeropuerto.
C
Salí en avión al aeropuerto.
D
.

Slide 13 - Quiz

¿Qué frase está bien si quieres decir
ik at?
A
Comi.
B
Comí.
C
Come.
D
comía

Slide 14 - Quiz

¿Qué frase está bien?
A
Fui el 27 de marzo.
B
Fui en 27 de marzo.
C
Fui el 27 marzo.

Slide 15 - Quiz

¿Qué frase está bien si quieres decir er was veel turbulentie?
A
Fue mucha turbulencia.
B
Estaba mucha turbulencia.
C
Era mucha turbulencia.
D
Había mucha turbulencia.

Slide 16 - Quiz

¿Qué frase está bien si quieres decir ik ging slapen?
A
Fui dormí.
B
Fue dormir.
C
Fui a dormir.
D
Fuí a dormir.

Slide 17 - Quiz

¿Qué frase está bien?
Er was geen turbulentie
A
había no turbulencia.
B
no había turbulencia.
C
estaba no turbulencia
D
no estaba turbulencia

Slide 18 - Quiz

párrafo II está listo si
Je vertelt op welke dag je bent vertrokken.
Je vertelt hoe je bent vertrokken naar het vliegveld.
Je schrijft wat je op het vliegveld deed.
Je vertelt hoe laat je opsteeg.
Je vertelt hoe je reis verliep en waarom.
Je vertelt hoe lang de reis was.
Je vertelt hoe laat je aankwam.
Je vertelt hoe je van het vliegveld vertrok (in het Zuid-Amerikaans land)  naar je bestemming.
Je vertelt wat je op je bestemming (bijv. hotelkamer) deed.
timer
2:00

Slide 19 - Slide

párrafo  III está listo si
Als je vertelt op welke dag je iets deed.
Als je vertelt welke activiteit je deed.
Welke stad/dorp/bezienswaardigheid er waren en hoe ze waren
Als je vertelt hoe je dat vond.
As je vertelt welke andere activiteiten je deed op de andere dagen.
Als je vertelt hoe het weer was.

Slide 20 - Slide

La preparación para el lunes
Leren aantekeningen (zoals geslacht van woorden, voorzetsels)
Leren alle onregelmatige werkwoorden in de imperfecto (ook sigaalwoorden)
Leren alle onregelmatige werkwoorden in de indefinido (ook signaalwoorden)
Leren regels hay/ser/estar (en ook de vormen van de indefinido/imperfecto)
Leren pág. 9 hol-esp en pág. 12

Slide 21 - Slide

Terminé párrafo I y II

Slide 22 - Slide

Corregí mis errores en el párrafo II

Slide 23 - Slide

Sé 4 palabras en español sobre actividades

Slide 24 - Slide