V4 les 4 escribir II párrafo viaje a Latinoamérica

1 / 30
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

This lesson contains 30 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 90 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Vas a ver una imagen.
Habla con tu compañero/a de clase qué es lo que vamos a hacer hoy en clase en holandés

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Una imagen
Habla con tu compañero/a de clase qué es lo que vamos a hacer hoy en clase en holandés
timer
0:10

Slide 4 - Slide

La preparación para hoy
aprender todo sobre el indefinido (regular e irregular) (zie bijlage)

aprender todo sobre el imperfecto (regular e irregular) (zie bijlage)
aprender todo sobre hay/ser/estar (zie bijlage)
aprender el género de las palabras (aantekeningen of les in klas lessonup van Spaans periode 3 schrijfvaardigheid)
vocabulario pág. 9 y 10 hol-esp de tu reader nuevo



Slide 5 - Slide

La clase anterior
Contesta a estas preguntas con tu compañero de clase:
1. Welke Spaanse "zijn" gebruik je als je wilt zeggen waar een land zich bevindt?
2. Welke Spaanse "zijn"gebruik je als je wilt zeggen wat er allemaal in het land is?
3. Is ciudad mannelijk of vrouwelijk? Waarom?
4. Is idioma mannelijk of vrouwelijk? Waarom?
5. Hoe is de aanhef van een informele brief in het Spaans?
timer
2:00

Slide 6 - Slide

Escribir sobre tu viaje a un país latinoamericano
Hoy: escribes el párrafo sobre tu viaje de ida

Slide 7 - Slide

Un vídeo
Vas a ver un vídeo sobre un viaje a Granada.
Tienes que escribir en tu hoja (repartida por la profe) las frases en en el indefinido del yo.

Slide 8 - Slide

Slide 9 - Video

Un vídeo
Compara tus respuestas con tu compañero/a de clase

Si hay diferencias levanta la mano
timer
1:00

Slide 10 - Slide

Het bevindt zich ten noorden van...
vertaal je met
A
Es al norte de
B
Está al norte de
C
Esta el norte a
D
Está en el norte a

Slide 11 - Quiz

Hoe zeg je Perú heeft veel bergen?
A
Perú tienes muchos montañas.
B
Perú tiene muchas montañas.
C
Perú tiene mucha montañas.
D
Perú tienes muchas montañas

Slide 12 - Quiz

Hoe zeg je ik ging naar Peru voor een maand?
A
Fui en Perú por un mes.
B
Fui a Perú por un mes.
C
Fui a Perú un mes.
D
Fui en Perú un mes.

Slide 13 - Quiz

Hoe dat een land 45 miljoen inwoners heeft?
A
Tiene 45 millones de habitantes.
B
Tiene 45 millónes de habitantes.
C
Tiene 45 millónes habitantes.
D
Tienes 45 millón habitantes.

Slide 14 - Quiz

Hoe zeg je welke kleuren een vlag heeft?
A
La bandera es rojo, amarillo, rojo
B
La bandera es roja, amarilla, roja.
C
La bandera tiene rojo, amarillo, rojo.
D
La bandera tiene los colores rojo, amarillo, rojo.

Slide 15 - Quiz

Vuestros errores en vuestras cartas
Levanta los dedos
un dedo = A
dos dedos = B
tres dedos = C
cuatro dedos = D

Slide 16 - Slide

I párrafo está listo si
Je hebt een inleidende zin geschreven over waar je reis naar toe ging.
Je hebt verteld, waarom je naar dat land op vakantie ging.
Je hebt verteld met wie je op vakantie ging.
Je hebt gezegd, waar het land zich bevindt.
Je hebt verteld, wat de hoofdstad is.
Je hebt opgeschreven, wat de vlag is.
Je hebt verteld, hoeveel inwoners het land heeft.
Je hebt verteld over welke taal ze daar spreken.
Je hebt iets geschreven over de munteenheid.
Je hebt iets verteld over de bezienswaardigheden.

timer
2:00

Slide 17 - Slide

Indefinido = handelingen
A
waar
B
niet waar

Slide 18 - Quiz

Indefinido = tijdstip
A
waar
B
niet waar

Slide 19 - Quiz

Indefinido = beschrijving
A
waar
B
niet waar

Slide 20 - Quiz

Indefinido of imperfecto in deze zin:
Het broodje was erg lekker.
A
indefinido
B
imperfecto

Slide 21 - Quiz

Indefinido of imperfecto in deze zin:
Op het vliegveld at ik een broodje en keek ik op mijn mobiel
A
indefinido
B
imperfecto

Slide 22 - Quiz

Indefinido of imperfecto in deze zin:
Er waren veel mensen op het vliegveld.
A
indefinido
B
imperfecto

Slide 23 - Quiz

Indefinido of imperfecto in deze zin:
Ik was moe.
A
indefinido
B
imperfecto

Slide 24 - Quiz

II párrafo está listo si
Je vertelt op welke dag je bent vertrokken.
Je vertelt hoe je bent vertrokken naar het vliegveld.
Je schrijft wat je op het vliegveld deed.
Je vertelt hoe laat je opsteeg.
Je vertelt hoe je reis verliep en waarom.
Je vertelt hoe lang de reis was.
Je vertelt hoe laat je aankwam.
Je vertelt hoe je van het vliegveld vertrok (in het Zuid-Amerikaans land)  naar je bestemming.
Je vertelt wat je op je bestemming (bijv. hotelkamer) deed.

Slide 25 - Slide

Ik heb mijn eerste alinea van de brief af.

Slide 26 - Slide

Ik weet nu wanneer ik hay/ser/estar moet gebruiken.

Slide 27 - Slide

Ik weet wanneer ik de indefinido en de imperfecto moet gebruiken.

Slide 28 - Slide

Voor de volgende les ga ik voor Spaans ......maken/leren/doen

Slide 29 - Slide

La preparación para el jueves
aprender todo sobre el indefinido (regular e irregular) (zie bijlage)
aprender todo sobre el imperfecto (regular e irregular) (zie bijlage)
aprender todo sobre hay/ser/estar (zie bijlage)
aprender el género de las palabras (aantekeningen of les in klas lessonup van Spaans periode 3 schrijfvaardigheid)
vocabulario pág. 12  y 13 hol-esp de tu reader nuevo

Slide 30 - Slide