Je hebt een inleidende zin geschreven over waar je reis naar toe ging.
Je hebt verteld, waarom je naar dat land op vakantie ging.
Je hebt verteld met wie je op vakantie ging.
Je hebt gezegd, waar het land zich bevindt.
Je hebt verteld, wat de hoofdstad is.
Je hebt opgeschreven, wat de vlag is.
Je hebt verteld, hoeveel inwoners het land heeft.
Je hebt verteld over welke taal ze daar spreken.
Je hebt iets geschreven over de munteenheid.
Je hebt iets verteld over de bezienswaardigheden.