Leeskring

Leeskring

Les 1
Waarom lezen we literatuur?
Hoe lees je literatuur?
1 / 39
next
Slide 1: Slide

This lesson contains 39 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Leeskring

Les 1
Waarom lezen we literatuur?
Hoe lees je literatuur?

Slide 1 - Slide

Aanschaffen:
literatuurschrift

Lever je aan het eind van het jaar in en telt mee in de beoordeling.

Slide 2 - Slide

Waarom zou je lezen?











‘Te veel kennis over onszelf doen we op uit de blikken van anderen. Wij
vertrouwen eerder op hoe wij gezien worden dan op hoe wij onszelf zien.’
Uit: Een schitterend gebrek – Arthur Japin (p.94)

Slide 3 - Slide

Waarom zou je lezen?


Kun je hier een verklaring voor bedenken?

Slide 4 - Slide

Waarom zou je lezen?

Slide 5 - Slide

De lezer is niet dood
De lezer is niet dood. We laten hem sterven. We geven op. We veranderen niets. We draaien niets om. We zoeken niet verder. We denken dat het geen zin heeft, en misschien is dat wel zo.  [...] Maar als er onder de leerlingen een lezer zit die iets aan het boek heeft dat hem is aangereikt, dan is het niet voor niets geweest. Als er een mens is die een boek oppakt en openslaat en daarmee voor het eerst in zijn leven een lezer wordt, bestaat de lezer. Hij is niet dood. 

Uit: De lezer is niet dood - Alex Boogers

Slide 6 - Slide

Het beslissende boek

Welk boek is voor jou van grote betekenis geweest?

Welk boek uit je verleden is je het meeste bijgebleven? Waarom?

Slide 7 - Slide

Hoe lees je literatuur?

Slide 8 - Slide

1. Verbeelden

Lees het fragment.

Wat zie je voor je?

Slide 9 - Slide

2. Herkennen
Soms herken je iets van een situatie of personage in het boek. Je ziet dan een gelijkenis in omstandigheden, gedrag of gedachten tussen het verhaal, je eigen leven of dat van iemand in je omgeving.

Lees het fragment op de volgende dia.
Kun jij iets herkennen uit het fragment?

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Slide

3. Markeren
Sommige zinnen roepen beelden op, andere juist vragen. Soms ook krijg je
juist een inkijkje in de gedachten, gevoelens of omstandigheden van de
hoofdpersoon. Je kunt je dan beter inleven in de hoofdpersoon.

 Markeer of kies in het volgende fragment:
            een zin die bij jou een vraag oproept en/of
            een zin die jou iets leert over de gedachten, gevoelens of 
            omstandigheden van de hoofdpersoon.                                                 
        

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Slide


Les 2
Literaire begrippen

Slide 14 - Slide

Literaire begrippen
Aan de hand van literaire begrippen kun je een verhaal analyseren, maar ze kunnen ook juist interessante vragen oproepen.

Hoe kun je literaire begrippen gebruiken in een leeskring? Op de volgende dia's bespreken we een aantal voorbeelden.

Slide 15 - Slide

Personages
  • Herken je jezelf of iemand anders in een van de personages?
  • Welke eigenschappen van de hoofdpersoon zou je zelf ook wel willen hebben of welke juist niet?
  • Wat vind je van de keuzes die de hoofdpersoon maakt? Zou je dezelfde keuzes hebben gemaakt? Waarom wel/niet?
  • Hoe ontwikkelt de hoofdpersoon zich? Wat vind je hiervan?

Slide 16 - Slide

Perspectief
  • Is het perspectief in jouw ogen betrouwbaar? Krijg je een realistisch beeld van de situatie?
  • Door wiens perspectief zou je het verhaal ook wel willen lezen? Waarom?
  • Hoe zou jij vanuit jouw perspectief op de hoofdpersoon of de beschreven situatie reageren?

Slide 17 - Slide

Opdracht
  • Lees het fragment.
  • Wat is er zo bijzonder aan het gekozen perspectief?
  • Welke zin geeft jou informatie over het personage?
  • Welke van eerder genoemde vragen zou je kunnen gebruiken bij dit fragment?

Slide 18 - Slide

Tijd
  • Waar ben je benieuwd naar in de rest van het boek?
  • Word jij meegezogen in het verhaal? Hoe komt dat?
  • Voor welk gedrag of welke gedachte zou jij graag een verklaring willen krijgen in een flashback?
  • Ben jij door de flashbacks een personage beter gaan begrijpen?

Slide 19 - Slide

Setting
  • Zou jij kunnen of willen leven in de setting van de hoofdpersoon?
  • In hoeverre bepaalt of beperkt de setting de mogelijkheden van de hoofdpersoon?
  • Herken je iets van de setting in je eigen leven?
  • Hoe zou jij handelen in een vergelijkbare situatie?
  • Welke invloed heeft je eigen setting op jouw leven?

Slide 20 - Slide

Representatie
  • Welke diverse achtergronden en perspectieven worden in het boek weergegeven (bijv. gender, etniciteit, seksuele oriëntatie, klasse, handicap)?
  • Vanuit wiens perspectief wordt het verhaal verteld en wie krijgt de meeste stem en invloed binnen het verhaal?
  • Hoe worden de personages in het boek neergezet? Worden er bijvoorbeeld stereotypen gebruikt in het verhaal? Zo ja, welke?
  • Hoe draagt de representatie in het boek bij aan een inclusiever en realistischer beeld van de samenleving?

Slide 21 - Slide

Opdracht
Bedenk welke boeken je in het verleden hebt gelezen en beantwoord de
volgende vragen:
  • Welk personage is je het meest bijgebleven en waarom?
  • Welk perspectief heeft jouw voorkeur en waarom?
  • Houd je van een herkenbare of realistische setting of juist niet? Licht toe.
  • Welke boodschap uit een boek is je het meest bijgebleven?
  • Over welke thema’s lees je graag of zou je willen lezen?

Slide 22 - Slide


Les 3
Een verhaal bespreken

Slide 23 - Slide

Wat kenmerkt een
goed gesprek?

Slide 24 - Mind map

Hoe schat jij jouw eigen gespreksvaardigheden in?

Slide 25 - Poll

Vloeiend gesprek
       Vragen stellen: stel je klasgenoten vragen over wat ze zeggen, denken, vinden, hebben  
        ervaren, en vraag door: waarom is dat zo?
        Luisteren naar elkaar: wat zegt een ander nu precies? Laat elkaar uitpraten.
        Oordeel uitstellen: houd je mening even binnenboord. Kun je ook een alternatief    
        bedenken voor je eerste gedachte?
        Evenveel aan het woord zijn: zorg dat iedereen aan het woord komt. Gebruik vragen om       
         iedereen bij het gesprek te betrekken.
        Inhoudelijk en interpreterend de diepte ingaan: zorg dat het gesprek écht ergens over   
         gaat. Is er meer over je leeservaring te zeggen dan spannend, saai of leuk? Stuur het 
        gesprek terug naar de inhoud als jullie afdwalen.

Slide 26 - Slide

Vragen die je altijd kunt stellen

Slide 27 - Slide

Opdracht in tweetallen
Bespreek de volgende citaten:  
       Lezen maakt mondige mensen. (Adriaan van Dis)
       Wie niet leest, leeft maar één keer. (George R.R. Martin)
       Nog nooit hebben twee mensen hetzelfde boek gelezen. (Edmund Wilson)

 Wat denken jullie dat degene die dit schreef bedoelde?
 Hoe denken jullie zelf over de uitspraak?  
        -welke reactie roept de uitspraak bij je op?
        -heb je deze ervaring zelf wel eens gehad?
        -ben je het (deels) met deze uitspraak eens, of niet?
       

Slide 28 - Slide

Bloed - opdracht 1
  • We lezen samen het verhaal Bloed van Gerard Reve.
  • Markeer zinnen/fragmenten die je mooi/grappig/onduidelijk/herkenbaar/ etc. vindt en die je   kunt bespreken.
  • Kies van het vorige punt de interessantste zin of het interessantste fragment.
  • Bespreek in drietallen elkaars markeringen: 1) lees om de beurt je zin/fragment voor en leg uit waarom je die hebt gekozen of stel er een vraag over en 2) reageer op elkaars fragment, uitleg of vraag.
  • Denk aan de regels voor een VLOEIend gesprek!
  • Uitgepraat? Stel een van de vragen uit de vorige les (literaire begrippen).

Wat vond je van het verhaal en van het gesprek?

Slide 29 - Slide

Bloed - opdracht 2
Jullie zijn betrokken bij deze rechtszaak. Bepaal of jullie aanklagers of advocaten zijn. 

Bespreek bijvoorbeeld:
Wat is er gebeurd, en welk bewijs is er daarvoor? Wat weet je niet over de zaak? Welke rol speelden de andere betrokkenen in de zaak? Is Allen wel of niet schuldig , en aan wat precies ? Zijn er verzachtende omstandigheden die je moet laten meewegen? Welke straf is gepast voor wat Allen heeft gedaan? Welke argumenten voer je aan om de rechter te overtuigen?

Bereid een pleidooi voor van ca. twee minuten waarin jullie de rechter overtuigen van de straf die Allen (wel of niet) zou moeten krijgen. Denk aan de gespreksafspraken!

Slide 30 - Slide

Interne dialoog
Als je leest – of bijvoorbeeld een film of serie kijkt – heb je daar voortdurend reacties op. Als je je van die reacties bewust wordt, is het makkelijker om over je leeservaring te praten. Door die uitwisseling krijg je meer inzicht in hoe jij een verhaal ervaart en hoe dat voor anderen is. Het wordt daardoor bij volgende verhalen steeds makkelijker om op je leeservaringen te letten.

Alleen: hoe doe je dat?

Voorbeeld a.d.h.v. het verhaal Bloed.

Slide 31 - Slide

Bloed - opdracht 3
Lees het verhaal verder en let daarbij op je eigen reacties.
  • Noteer alles wat er tijdens het lezen bij je opkomt.
  • Noteer een vraagteken bij woorden, zinnen of fragmenten die je niet begrijpt.
  • Noteer een uitroepteken bij woorden, zinnen of fragmenten die je mooi of interessant vindt.

Slide 32 - Slide

Welke uitspraak typeert jou het beste?

Slide 33 - Poll


Les 4
Een thema kiezen

Slide 34 - Slide

Thema's
  • Klimaat en klimaatverandering
  • Gender en seksualiteit
  • Multiculturele samenleving

Slide 35 - Slide

Mogelijke titels

Slide 36 - Slide

Opdracht
  • Maak groepen van vier leerlingen en maak binnen deze groep tweetallen.
  • Bekijk de verschillende thema's en de bijbehorende titels.
  • Kies drie titels uit die jullie dit jaar gaan lezen.
  • Kies per tweetal de titel waar jullie mee gaan starten.
  • Leen je boek in de mediatheek, reserveer het bij de bibliotheek of leen het online (onlinebibliotheek.nl).
  • Neem het boek de volgende les mee.

Slide 37 - Slide

Opdracht
  • Bekijk de documentatiemap en lees minimaal een artikel, een gedicht of romanfragment en 
  • Maak een begin met de schrijfopdracht (minimaal half A4) -> dit is een voorbereidende taak, zodat je volgende teksten/boeken beter gaat begrijpen

Slide 38 - Slide

Huiswerk
  • Lees voor de volgende les de eerste 30 pagina's van je boek.
  • Noteer zinnen/fragmenten die je opvallen (mooi, ontroerend, schokkend,...)
  • Noteer een of meerdere vragen die de tekst bij je oproept.

Slide 39 - Slide