This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes and text slide.
Items in this lesson
Toets H5 Hoe werkt de overheid?
Slide 1 - Slide
Noteer de ontbrekende woorden. De collectieve sector bestaat uit de …1… en de instellingen voor de …2…
A
1. bedrijven
2. burgers
B
1. overheid.
2. instellingen voor de sociale zekerheid.
C
1. bedrijven
2. overheid
D
1. burgers.
2. instellingen voor de sociale zekerheid
Slide 2 - Quiz
Maak van onderstaande zinnen een economisch juiste tekst. Noteer de nummers 1 en 2 en kies uit de woorden die tussen haakjes staan. Tariq werkt als docent op een openbare scholengemeenschap. Hij werkt in de …(1)… (marktsector / publieke sector). Zijn vriendin Manon werkt voor een IT-bedrijf dat games ontwikkelt. Zij werkt in de …(2)… (collectieve / particuliere) sector.
A
1. marktsector
2. collectieve sector
B
1. marktsector
2. particuliere sector
C
1. publieke sector
2. collectieve sector
D
1. publieke sector
2. particuliere sector
Slide 3 - Quiz
Bekijk de afbeelding. Past deze afbeelding bij accijns of subsidie?
A
accijns
B
subsidie
Slide 4 - Quiz
De bedoeling is dat diensten die eerder door de overheid geleverd werden door privatisering goedkoper worden voor de burgers. Niet altijd gebeurt dat. Verklaar hoe het kan dat na privatisering burgers duurder uit zijn.
Slide 5 - Open question
Een economie kan verschillende kenmerken hebben. Hoort het volgende kenmerk bij een vrijemarkteconomie of bij een planeconomie? Kies het juiste antwoord.
De overheid bepaalt hoeveel er geproduceerd wordt.
A
vrije markteconomie
B
planeconomie
Slide 6 - Quiz
Een economie kan verschillende kenmerken hebben. Hoort het volgende kenmerk bij een vrijemarkteconomie of bij een planeconomie? Kies het juiste antwoord.
De overheid grijpt niet in met regels of wetgeving.
A
vrije markteconomie
B
planeconomie
Slide 7 - Quiz
Een economie kan verschillende kenmerken hebben. Hoort het volgende kenmerk bij een vrijemarkteconomie of bij een planeconomie? Kies het juiste antwoord.
Er is geen enkele vorm van marktwerking.
A
vrije markteconomie
B
planeconomie
Slide 8 - Quiz
Een economie kan verschillende kenmerken hebben. Hoort het volgende kenmerk bij een vrijemarkteconomie of bij een planeconomie? Kies het juiste antwoord.
Vraag en aanbod bepalen de prijzen.
A
vrijemarkteconomie
B
planeconomie
Slide 9 - Quiz
Nederland is een sociale markteconomie. Een politicus wil het wettelijk minimumloon afschaffen. Volgens hem kunnen werkgevers en werknemers prima samen de hoogte van het loon bepalen. Wat verandert er als dit plan doorgaat: verschuift Nederland dan richting planeconomie of vrijemarkteconomie? Verklaar je antwoord.
Slide 10 - Open question
Door technische ontwikkelingen verandert de arbeidsmarkt snel. Sommige beroepen verdwijnen, terwijl er nieuwe beroepen voor in de plaats komen. De regering wil weten hoe ze met deze veranderingen om moet gaan, zodat er voor iedereen werk blijft. Bij welke instelling kan de regering het best advies vragen?
A
CBS
B
CPB
C
SER
Slide 11 - Quiz
Tijdens de coronacrisis heeft de overheid veel geld moeten lenen. Daardoor dreigt de staatschuld hoger te worden dan de toegestane 60% van het bbp. Als het goed blijft gaan met de economie kan de staatsschuld binnen de 60% blijven, ook als de overheid meer leent. Geef hiervoor een verklaring.
Slide 12 - Open question
De overheid kan verschillende maatregelen nemen om de gevolgen van een recessie te verminderen.
Slide 13 - Open question
Omschrijf wat het solidariteitsbeginsel is.
Slide 14 - Open question
Maak van onderstaande zinnen een economisch juiste tekst
Dennis (23) werkte als automonteur bij autobedrijf Van Dooren. Ruim twee jaar geleden kreeg hij een ongeval, waardoor hij nu arbeidsongeschikt is. Hij krijgt een uitkering volgens de …(1)... (WIA / Wlz / WW). Dat is een voorbeeld van een …(2)... (sociale voorziening / volksverzekering / werknemersverzekering). Zijn zus leeft van een bijstandsuitkering; dat is een voorbeeld van een …(3)... (sociale voorziening / volksverzekering / werknemersverzekering).
Gebruik de tabel. Als je uitkering of inkomen lager is dan het sociaal minimum, dan kun je een toeslag krijgen die je inkomen aanvult tot het sociaal minimum. Timo is 20 jaar en is enkele maanden geleden ontslagen. In loondienst verdiende hij € 1.256,20. Nu ontvangt hij een WW uitkering die 70% van zijn laatstverdiende loon is. Bereken hoeveel toeslag Timo per maand kan krijgen.
Slide 16 - Open question
De overheid heeft een financiële meevaller. Doordat de economie sneller groeide dan verwacht, waren ook de belastinginkomsten hoger dan verwacht. Kies het gevolg dat hierbij past.
A
Het begrotingsoverschot wordt kleiner
B
Het begrotingstekort wordt kleiner
C
De rijksbegroting wordt kleiner
Slide 17 - Quiz
In 2021 werd er in Nederland € 116 miljard aan zorgkosten uitgegeven. Nederland had dat jaar 17,6 miljoen inwoners. Bereken de gemiddelde zorguitgaven per inwoner. Rond af op een heel bedrag.
Slide 18 - Open question
Op het loon van Remon is loonbelasting ingehouden. Over de aankoop van een nieuwe wasmachine betaalde hij btw. Welke van deze belastingen is een indirecte belasting?
A
loonbelasting
B
btw
Slide 19 - Quiz
Bekijk het cirkeldiagram. Het cirkeldiagram laat de verdeling zien van de inkomsten van een gemeente. Welk van de volgende inkomsten hoort bij A? Kies het juiste antwoord.