NT2 voegwoorden

voegwoorden oefenen  
toen , voordat , nadat , zodat , doordat  
1 / 17
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo lwooLeerjaar 2

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

voegwoorden oefenen  
toen , voordat , nadat , zodat , doordat  

Slide 1 - Slide

tijd woorden 

toen  ....
nadat ....
voordat .....
toen 
 (vroeger of de tijd wanneer) 
op het moment 

na -dat 
eerst dit en dan DAT 
na = tijd woord 
voor-dat 
voor = eerder  


Slide 2 - Slide

voegwoorden 
in een bijzin komt het werkwoord achteraan.

We gingen naar huis, nadat de lessen klaar waren. 
                                             toen de lessen klaar waren. 
                                             voordat de docent klaar was.  

Slide 3 - Slide

voegwoord ZODAT 
bij ZODAT 
komt in een bijzin het werkwoord achteraan.
je kan niet met ZODAT vooraan in een zin . 

 
-gevolg ( wat kan er nu?) 
 

Slide 4 - Slide

voegwoord DOORDAT  
OORZAAK  hoe kan het ? 

een zin kan wel met DOORDAT beginnen 
maar ook wel in een bijzin. 
 -oorzaak ( wie of wat heeft het gedaan , HOE kan het?)

 

Slide 5 - Slide

pak wisbordje

Slide 6 - Slide

Wij doen boodschappen. Wij gaan koken.
A
voordat
B
nadat
C
zodat
D
doordat

Slide 7 - Quiz

Ik sta vroeg op. Ik kom op tijd.
A
voordat
B
nadat
C
zodat
D
doordat

Slide 8 - Quiz

Hij koopt een brood. De winkel gaat dicht.
A
voordat
B
nadat
C
zodat
D
doordat

Slide 9 - Quiz

Zij wil film kijken. Zij heeft haar huiswerk gemaakt.
A
voordat
B
nadat
C
zodat
D
doordat

Slide 10 - Quiz

Zij heeft een goed cijfer. Ze heeft haar best gedaan.
A
voordat
B
nadat
C
zodat
D
doordat

Slide 11 - Quiz

Hij pakt zijn tas in. Hij gaat naar school.
A
voordat
B
nadat
C
zodat
D
doordat

Slide 12 - Quiz

Ik voel me goed. Ik ben bij de dokter geweest.
A
voordat
B
nadat
C
zodat
D
doordat

Slide 13 - Quiz

We gaan naar huis. Het wordt donker.
A
voordat
B
nadat
C
zodat
D
doordat

Slide 14 - Quiz

De klok is kapot. Ik kom te laat op school.
A
voordat
B
nadat
C
zodat
D
doordat

Slide 15 - Quiz

Ik ga naar binnen. Het gaat regenen.
A
voordat
B
nadat
C
zodat
D
doordat

Slide 16 - Quiz


Slide 17 - Poll