woorden les 17+18-2

ἐσθλός
A
ik durfde
B
ik waagde
C
edel
D
voortreffelijk
1 / 20
next
Slide 1: Quiz
Grieks

This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes.

Items in this lesson

ἐσθλός
A
ik durfde
B
ik waagde
C
edel
D
voortreffelijk

Slide 1 - Quiz

ψευδής
A
onwaar
B
nooit
C
dichtbij
D
erg, zeer

Slide 2 - Quiz

μήποτε
A
waar
B
nooit
C
dichtbij
D
erg, zeer

Slide 3 - Quiz

ᾄδω
A
smart
B
zingen
C
openen
D
edel

Slide 4 - Quiz

καίπερ + participium
A
hoe
B
alsof
C
hoewel
D
omdat

Slide 5 - Quiz

εὐμενής
A
waar
B
dom
C
welgezind
D
lastig

Slide 6 - Quiz

λογίζομαι
A
overwegen
B
bekijken
C
beramen
D
beraadslagen

Slide 7 - Quiz

οἷος
A
twintig
B
zodanig als
C
edel
D
onmiddellijk

Slide 8 - Quiz

ἀνοίγω
A
niet weten
B
openen
C
slaan
D
zingen

Slide 9 - Quiz

τὸ ἔθνος
A
overwinning
B
kracht
C
volk
D
smart

Slide 10 - Quiz

ἕνεκα
A
twintig
B
overwinning
C
wegens
D
ik volgde

Slide 11 - Quiz

Welke naamval gaat met ἕνεκα?
A
nom
B
gen
C
dat
D
acc

Slide 12 - Quiz

σχεδόν
A
twintig
B
liever
C
dichtbij
D
lastig

Slide 13 - Quiz

Met welke naamval gaat σχεδόν ?
A
nom
B
gen
C
dat
D
acc

Slide 14 - Quiz

Wat is geen vertaling van:
τὸ πάθος
A
lot
B
ervaring
C
vorm
D
ongeluk

Slide 15 - Quiz

De dativus ev van ἡ ναῦς is:
A
νεΐ
B
νηΐ
C
νεῷ
D
νεῇ

Slide 16 - Quiz

De 1e ev ind aoristus van ἕπομαι is:
A
ἑσπόμην
B
εἱπόμην
C
σπόμην
D
ἑπόμην

Slide 17 - Quiz

De inf prae van ζήω is:
A
ζῆεῖν
B
ζῆν
C
ζῇν
D
ζῶν

Slide 18 - Quiz

De genitivus ev m van ὤν is:
A
ὄντος
B
ὄντης
C
οὖσας
D
οὖσης

Slide 19 - Quiz

De genitivus ev van δυσμενής is:
A
δυσμενοῦ
B
δυσμενοῦς
C
δυσμενής
D
δυσμενώς

Slide 20 - Quiz