V5 Thema 10 DNA Oriëntatie + B1 De bouw en functie van DNA

Thema 10 

DNA



Oriëntatie 
+
B1 Bouw en functie van DNA 

1 / 33
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 5

This lesson contains 33 slides, with interactive quizzes, text slides and 5 videos.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Thema 10 

DNA



Oriëntatie 
+
B1 Bouw en functie van DNA 

Slide 1 - Slide

Lesprogramma Les 2
  • Leerdoelen B1  (2 minuten)
  • Uitleg leerdoel 10.1.1 'De bouw en functie van DNA' (10-15 minuten)
  • Zelfstandig opdracht 1 t/m 11 maken
  • Oefen de Flitskaarten en maak Test Jezelf als laatste
  • Lesafsluiter B1 (5 minuten)

Eerder klaar?
 
  • Neem context Leefwereld 'Drie biologische ouders' en maak de bijbehorende opdrachten 12 en 13

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Video

Leerdoelen B1

10.1.1 Je kunt de bouw en functie van DNA beschrijven.

Overige leerdoelen
  • Je kent verschillende typen DNA 
  • Je weet het verschil tussen coderend DNA en niet-coderend DNA

Slide 4 - Slide




  • DNA
  • genoom
  • kernDNA
  • mtDNA
  • plasmiden
  • nucleinezuur
  • nucleotide
  • desoxyribose
  • adenine (A)
  • thymine (T)
  • cytosine (C)



  • guanine (G)
  • enkelstrengs DNA
  • basenparing
  • basenpaar
  • dubbelstrengs DNA
  • helixstructuur
  • sequentie
  • gen
  • niet-coderend DNA
  • repetitief DNA
Begrippen B1 De bouw en functie van DNA

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Video

DNA - DesoxyriboNucleicAcid - Desoxyribonucleïnezuur
  • Bijna elke cel heeft een celkern met daarin DNA 
  • DNA bevat genetische informatie, de informatie voor je erfelijke eigenschappen
  • Genoom: het geheel aan genetische informatie in een cel van een organisme
  • DNA is opgebouwd uit 4 verschillende nucleotiden: A,C,T,G


  • Elk nucleotide is opgebouwd uit
     drie onderdelen:
     1. fosfaatgroep
     2. desoxyribose (suiker)
     3. stikstofbase 
Purine:  adenine en guanine hebben 2-ring structuur

Pyrimidine: cytosine en thymine hebben 1-ring-structuur

Slide 7 - Slide

Het genoom - prokaryoten

Prokaryoot = cel zonder kern, bijvoorbeeld een bacterie


  • DNA ligt los in het cytoplasma als en bestaat uit één circulaire DNA-streng). 
  • Sommige bacteriën hebben nog een plasmide(n): kort stukje (vaak cirkelvormig) DNA.

Slide 8 - Slide

Het genoom
eukaryoten
Eukaryoot - cel met een kern bijvoorbeeld plant, dier, schimmel


  • Genoom dierlijke cel:
      - kern DNA
      - mitochondriaal DNA (mtDNA)

  • Genoom plantaardige cel:
      - kern DNA
      - mitochondriaal DNA (mtDNA)
      - chloroplast DNA 

Slide 9 - Slide

Slide 10 - Link

DNA structuur
  • Nucleotideketen: mono-sachariden en fosfaatgroepen wisselen elkaar af. 
  • De stikstofbasen steken er aan de zijkant uit.
  • De uiteinden van een nucleotidestreng worden aangegeven met 3’ en 5’.
  • Aan het 3’-uiteinde bevindt zich een OH-groep aan derde C van desoxyribose.
  • Aan het 5’-uiteinde bevindt zich een fosfaatgroep aan 5e C van desoxyribose.
  • DNA-molecuul bestaat uit twee nucleotidestrengen, die in een helixstructuur (dubbele spiraal) om elkaar heen gewonden liggen (BiNaS tabel 71C).
  • Vaste basenparen (tabel 71B): adenine (A) met thymine (T) en cytosine (C) met guanine (G).

Slide 11 - Slide

enkelstrengs DNA

dubbelstrengs DNA

Slide 12 - Slide

Chromosomen
  • DNA verdeelt over verschillende chromosomen
  • Langste DNA-molecuul mens is 5 cm
  • Bij eukaryoten bestaat een chromosoom uit één dubbelstrengs DNA-molecuul met histonen (eiwitten).
  • Een DNA-molecuul past in een celkern door de compacte vorm, het is rond histonen gewikkeld. 
  • Nucleosoom: een aantal histonen met DNA 
  • Koppelings-DNA: DNA tussen twee opeenvolgende nucleosomen
  • Sequentie: de volgorde waarin stikstofbasen in een DNA-molecuul zijn gerangschikt.
  • Gen: een deel van een DNA-molecuul dat codeert voor één of meer eiwitten of een gedeelte van een eiwit. 

Slide 13 - Slide

Niet-coderend DNA
  • Grote delen van het DNA coderen niet voor eiwitten. 
  • Ongeveer 98,5% van genoom van de mens bestaat uit niet-coderend DNA. 
  • Ook binnen genen worden stukken coderend DNA afgewisseld met stukken niet-coderend DNA.
  • Sommige delen hebben een regulerende functie en beïnvloeden de activiteit van genen of de productie van eiwitten
  • Andere delen beschermen bijvoorbeeld de uiteinden van chromosomen
  • Deel van het niet-coderend DNA bestaat uit repetitief DNA (herhalingen van korte nucleotidesequenties)
  • Deel bestaat uit genen die hun functie hebben verloren (bv. gen voor aanmaak van eigeel bij zoogdieren)

Slide 14 - Slide

Slide 15 - Video

Even oefenen...

Slide 16 - Slide

Hoeveel procent heb je gescoord?

Slide 17 - Open question

Huiswerk
  • Maak opdracht 1 t/m 11

  • Oefen de Flitskaarten en controleer de leerdoelen 
van B1 met de Test Jezelf

Klaar?
  • Neem de Context 'Drie biologische ouders' door en 
maak opdracht 12 en 13

Slide 18 - Slide

Lesafsluiter B1

10.1.1 Je kunt de bouw en functie van DNA beschrijven.



Slide 19 - Slide

Wat is de bouwsteen van DNA?
A
allel
B
gen
C
nucleotide
D
eiwit

Slide 20 - Quiz

Genen bevatten informatie voor het maken van
A
DNA
B
RNA
C
eiwitten
D
alle drie

Slide 21 - Quiz

Niet-coderend DNA heeft
A
geen functie
B
een regulerende functie
C
verslaving tot gevolg
D
een coderende functie

Slide 22 - Quiz

Alle kinderen uit één gezin hebben hetzelfde DNA?
A
Ja
B
Nee

Slide 23 - Quiz

Welke volgorde van 'groot naar klein' klopt?
A
DNA--> gen --> chromosoom
B
Gen --> DNA --> chromosoom
C
Chromosoom --> gen --> DNA
D
DNA --> gen --> chromosoom

Slide 24 - Quiz


Wat is juist?
A
1 celkern 2 genen
B
1 cel 2 chromosomen
C
3 DNA 4 gen
D
3 Chromosomen 4 DNA

Slide 25 - Quiz

Hebben plantencellen ook kern DNA?
A
Ja
B
Nee

Slide 26 - Quiz

Stelling 1: Je krijgt alleen DNA van je vader of alleen DNA van je moeder
Stelling 2: Niet iedere cel heeft DNA
A
Stelling 1 is correct, stelling 2 is incorrect
B
Stelling 1 en stelling 2 zijn correct
C
Stelling 1 is incorrect, stelling 2 is correct
D
Stelling 1 en stelling 2 zijn incorrect

Slide 27 - Quiz

In DNA vormen de basen A, G, C en T vaste paren.
Welke paren zijn dat?
A
A - G en T - C
B
A - T en G - C

Slide 28 - Quiz

Op internet staan veel plaatjes van DNA. Heeft de tekenaar van dit plaatje de basen goed getekend?
A
Ja
B
Nee

Slide 29 - Quiz

Organismen van verschillende soorten kunnen veel overeenkomsten vertonen in de samenstelling van stoffen, bijvoorbeeld van DNA. Waarom is deze overeenkomst een argument voor de evolutietheorie?
A
Omdat deze overeenkomst aantoont dat soorten veranderen, doordat mutanten blijven voortbestaan en individuen van de oorspronkelijke vorm uitsterven.
B
Omdat hieruit kan worden afgeleid hoe lang geleden de verschillende soorten zijn ontstaan.
C
Omdat deze overeenkomst het aannemelijk maakt dat verschillende soorten een gemeenschappelijke voorouder hebben.

Slide 30 - Quiz

Extra uitlegvideo
Wanneer je nog een andere uitleg wilt over de bouw en de functie van het DNA...

Kies uit NGbiologie of Ruud Lekkerkerk

Slide 31 - Slide

Slide 32 - Video

Slide 33 - Video