keuzeles

Naamvallen
1 / 41
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 4

This lesson contains 41 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Naamvallen

Slide 1 - Slide

Lesdoelen:

✅ Je kunt het onderwerp in een zin vinden.
✅ Je weet wanneer je de derde of vierde naamval gebruikt.
✅ Je herkent of een woord in de derde of vierde naamval staat.
✅ Je ziet of een zin goed of fout is met naamvallen.

Slide 2 - Slide

Hoe vind je het onderwerp
van een zin?

Slide 3 - Mind map

Hoe vind je het onderwerp van een zin?


Het onderwerp is degene die de actie doet in de zin. In de zin " "Der Hund rennt schnell." is "Der Hund" het onderwerp, want de hond doet de actie van rennen.
Wie/Wat rent er snel? De hond

Slide 4 - Slide

Wat weet je nog van
de derde naamval?

Slide 5 - Mind map

De derde naamval
De derde naamval gebruik je voor wie iets krijgt of voor wie iets gebeurt. Bijvoorbeeld in "Ich gebe dem Mann ein Buch" is "dem Mann" het meewerkend voorwerp, en staat dus in de derde naamval. Kan er 'aan' of 'voor' voor? Dan meew.vwp dus 3e nv

Slide 6 - Slide

Wat weet je nog van
de vierde naamval?

Slide 7 - Mind map

De vierde naamval
De vierde naamval (accusatief) gebruik je voor wat iets ondergaat. Bijvoorbeeld in "Ich sehe den Hund." is "den Hund" het lijdend voorwerp, omdat hij gezien wordt.
Wie/Wat + gezegde + onderwerp? Wie zie ik? De hond

Slide 8 - Slide

wat jullie gaan doen. 


- Jullie krijgen een zin te zien
- Jullie kijken of de zin goed of fout is
- jullie vullen in of de zin goed of fout is

Slide 9 - Slide

Der Junge gibt seiner Schwester ein Geschenk.
A
richtig
B
falsch

Slide 10 - Quiz

Waarom? 
"Der Junge" (m) is onderwerp (wie doet de actie?). 1e
"seiner Schwester"(v) is meewerkend voorwerp (aan wie wordt iets gegeven?). 3e
"ein Geschenk"(o) is lijdend voorwerp (wat wordt gegeven?).4e

Slide 11 - Slide

Ich sehe der Hund im Park.
A
richtig
B
falsch

Slide 12 - Quiz

Waarom?
"der Hund" moet in de 4e naamval staan (wie of wat zie ik?).
Het juiste lidwoord is "den Hund" 
Correcte zin: "Ich sehe den Hund im Park."

Slide 13 - Slide

Mein Bruder hilft seinem Freund.
A
Gut
B
falsch

Slide 14 - Quiz

Waarom?
"Mein Bruder" is onderwerp (1e naamval).
"seinem Freund" is meewerkend voorwerp (de 3e naamval).
na werkwoord ''helfen'' 3e naamval

Slide 15 - Slide

Wir haben unsere Mutter ein Geschenk gekauft.
A
richtig
B
falsch

Slide 16 - Quiz

Waarom?
 "unsere Mutter" moet in de 3e naamval staan (voor wie kopen we iets?).
Het juiste lidwoord is "unserer Mutter".
Correcte zin: "Wir haben unserer Mutter ein Geschenk gekauft."


Slide 17 - Slide

Ich liebe meinen Hund.

A
richting
B
falsch

Slide 18 - Quiz

Waarom?
Waarom? omdat "de hond" het lijdend voorwerp is (van wie/wat hou ik?).
Het juiste lidwoord is "meinen Hund". 4e nv (M)
Correcte zin: "Ich liebe meinen Hund."

Slide 19 - Slide

Er gratuliert seine Schwester zum Geburtstag.

A
richtig
B
falsch

Slide 20 - Quiz

Waarom?
"gratulieren" vereist de 3e naamval (zie schema)
Correcte zin: "Er gratuliert seiner Schwester zum Geburtstag." 3e nv (V)

Slide 21 - Slide

Wir fahren mit dem Auto.
A
richtig
B
Falsch

Slide 22 - Quiz

Waarom?
 ''Mit'' is een voorzetsel van de 3e naamval.
das Auto (O)
Het juiste lidwoord 3 nv onzijdig is "dem Auto".
Correcte zin: "Wir fahren mit dem Auto."

Slide 23 - Slide

Er fragt dem Lehrer eine Frage.
A
richtig
B
Falsch

Slide 24 - Quiz

Waarom?
"fragen" werkwoord dat hoort bij de 4e naamval (zie schema)
Het juiste lidwoord is "den Lehrer".(M)
Correcte zin: "Er fragt den Lehrer eine Frage."

Slide 25 - Slide

- Jullie krijgen een zin te zien waarin een gedeelte dikgedrukt is.
- Jullie moeten bepalen of dat dikgedrukte deel in de derde of vierde naamval staat.
- Sleep het juiste antwoord (derde naamval of vierde naamval) naar het dikgedrukte gedeelte van de zin.

Slide 26 - Slide

Ich gebe meinem Freund ein Geschenk.
Derde naamval (meewerkend voorwerp)
Vierde naamval (lijdend voorwerp

Slide 27 - Drag question


Antwoord: Derde naamval
Waarom? 
"meinem Freund" is het meewerkend voorwerp. Aan wie geef ik het cadeau?

Slide 28 - Slide

Ich sehe den Hund im Park.

Derde naamval (meewerkend voorwerp)
Vierde naamval (lijdend voorwerp)

Slide 29 - Drag question

Antwoord: Vierde naamval
Waarom? 
"den Hund" is het lijdend voorwerp. Wat zie ik?

Slide 30 - Slide

Er hilft seiner Schwester bei den Hausaufgaben.

Derde naamval (meewerkend voorwerp)
Vierde naamval (lijdend voorwerp)

Slide 31 - Drag question

Antwoord: Derde naamval
Waarom? 
"seiner Schwester" na het werkwoord ''helfen'' krijg je een 3e nv (zie schema)

Slide 32 - Slide

Wir lieben unsere Eltern sehr.
Derde naamval (meewerkend voorwerp)? 
Vierde naamval (lijdend voorwerp)?

Slide 33 - Drag question

Antwoord: Vierde naamval
Waarom
 "unsere Eltern" is het lijdend voorwerp. Van wie houden we? onze ouders. die Eltern (MV) 4 nv 

Slide 34 - Slide

Het onderwerp 


✅ Het onderwerp herkennen:
Het onderwerp is degene of datgene die de actie in de zin uitvoert. Je kunt het vinden door te vragen: "Wie of wat doet iets?"

Slide 35 - Slide

Vierde naamval
✅ De vierde naamval herkennen (lijdend voorwerp):
De vierde naamval geeft aan wie of wat iets ondergaat. Je kunt het vinden door te vragen: "Wie of wat?"

📌 Voorbeeld: Der Junge gibt seiner Schwester ein Geschenk.

Wat geeft hij? → ein Geschenk (vierde naamval)

Slide 36 - Slide

De derde naamval
✅ De derde naamval herkennen (meewerkend voorwerp):
De derde naamval geeft aan voor wie of aan wie iets gebeurt. Je kunt het vinden door te vragen: "Aan wie/voor wie?" 
Of bepaalde werkwoorden of voorzetsels (zie schema)
📌 Voorbeeld: Der Junge gibt seiner Schwester ein Geschenk.

Aan wie geeft hij iets? → seiner Schwester (derde naamval)

Slide 37 - Slide

Hoe zeker voel je je nu over de derde en vierde naamval?
Slecht
Matig
Prima
Super goed!

Slide 38 - Poll

Wat vond je het moeilijkst
Het onderwerp vinden
De vierde naamval vinden
De derde naamval
Alles ging wel prima

Slide 39 - Poll

wat vond je goed gaan aan de les?

Slide 40 - Open question

Wat vond je minder goed gaan?

Slide 41 - Open question