27. Hoofdstuk 4 + kahoots n3

PLANNING VAN DEZE LES
1.  Werkwoordspelling: de drie stappen in vogelvlucht
2.  Bouwsteen 4: de theorie

Schrijfdossier: zie e-mail (nog geen cijfer) of CumLaude (je hebt een cijfer). Dit geldt enkel voor hen die het Schrijfdossier hebben geüpload. 

LESDOELEN
- je weet wat een signaalwoord is
- je weet dat een signaalwoord voorafgegaan wordt door een komma
- je (her)kent de signalen

1 / 29
next
Slide 1: Slide
NederlandsMBOStudiejaar 1

This lesson contains 29 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 120 min

Items in this lesson

PLANNING VAN DEZE LES
1.  Werkwoordspelling: de drie stappen in vogelvlucht
2.  Bouwsteen 4: de theorie

Schrijfdossier: zie e-mail (nog geen cijfer) of CumLaude (je hebt een cijfer). Dit geldt enkel voor hen die het Schrijfdossier hebben geüpload. 

LESDOELEN
- je weet wat een signaalwoord is
- je weet dat een signaalwoord voorafgegaan wordt door een komma
- je (her)kent de signalen

Slide 1 - Slide

Wat onder werkwoordspelling valt:
persoonsvorm tegenwoordige tijd:   nu fiets ik 
persoonsvorm verleden tijd:                   vroeger fietste zij
voltooid deelwoord:                                  hij heeft daar gefietst
gebiedende wijs:                                       werk ze!
bijvoeglijk naamwoord:                           de fietsende student

Slide 2 - Slide

ONTHOUDEN
(stap 1) Je zet de zin in een andere tijd om de pv te vinden. 
(stap 2) Je zoekt het hele werkwoord, het infinitief, van de pv.
(stap 3) Je haalt -en van het hele werkwoord van de pv af. Nu heb je de stam van het werkwoord. 

► Onthoud dat het Nederlands gebaseerd is op klanken
Plakken - de stam 'plakk' wordt de ik-vorm plak
Verhuizen - de stam 'verhuiz' wordt de ik-vorm verhuis
Beleven - de stam 'belev' wordt de ik-vorm beleef.
Weten - de stam 'wet' wordt de ik-vorm weet.
Kijken - de stam 'kijk' is hetzelfde als de ik-vorm: kijk.





Slide 3 - Slide

de regels van de tegenwoordige tijd
Alle werkwoorden zijn of sterk (middeleeuws) of zwak. Voor ALLE werkwoorden gelden de volgende regels in de tegenwoordige tijd:

Het onderwerp is 'ik'. ► Dan krijgt de pv de ik-vorm.
Ik luister naar de docent :)

Het onderwerp is enkelvoud, maar geen 'ik'. ► Dan krijgt de pv de ik-vorm + t
Jij luistert ook. 

Het onderwerp staat in het meervoud ► dan krijgt de pv het hele werkwoord
Wij luisteren allemaal. 

Slide 4 - Slide

De piano van de buurman (smergelen)

Slide 5 - Open question

En, of, dat, en de komma
  • Let op bij een zin met de woorden 'en', 'of', 'dat' en let ook op bij een komma. 
Het betekent dat de zin uit meer dan één zin bestaat. Een komma is een ademhalingspauze. 
- een signaalwoord heeft een komma (en een spatie) ervóór: 
'ik denk, dus ik besta'

  • Elke zin heeft een eigen persoonsvorm en een eigen onderwerp.
Zinnen met 'en', 'of', 'dat' en een komma bestaan dus uit meer dan één zin. Je moet dus vaker dan één keer werkwoordspelling toepassen op de persoonsvorm. 
'ik kwam, ik zag en ik overwon'

Slide 6 - Slide

Hij (klirren) en jullie (plurken) je ongans.

Slide 7 - Open question

DEZE LES
1.  Kahoot
2. Taalblokken/zelfstudie

LESDOELEN: 
- je herkent de signaalwoorden en weet dan welk tekstverband er komt
- je weet het nut van de signaalwoorden voor een tekst

Slide 8 - Slide

1. OVER SAMENHANG
We gaan terug naar Taalblokken en wel Hoofdstuk 4: samenhang. 



Slide 9 - Slide

2. THEORIE: SAMENHANG
Hoe breng je samenhang aan in jouw tekst? 
a) de tekstconventies en 
b) de signaalwoorden. Die smeden jouw tekst samen. 

Dit wordt ook een tekstverband genoemd.

Slide 10 - Slide

SIGNAALWOORDEN
Je begrijpt iemand beter door de signaalwoorden. 

→ Let er dus op als je er een tegenkomt in een zin of als je het hoort!

 Op de volgende slides zie je veelvoorkomende tekstverbanden.
 Daarna een Kahoot over die tekstverbanden.


Slide 11 - Slide

TEKSTVERBANDEN

Er zijn verschillende tekstverbanden met eigen signaalwoorden. Weet je nog? 

  • de tegenstelling [ maar, hoewel ]  
  • de opsomming [ bovendien, ten eerste, ten tweede, ook, eerst...toen] 
  • de toelichting [ zo, bijvoorbeeld, zoals, op deze manier] 
  • de tijd en de volgorde daarin [ gisteren, vervolgens, vroeger, nu, toen, daarna ]  
  • de reden [ omdat, daarom, want ] 
  • de voorwaarde [ als ... dan, in het geval dat, als, mits ]
  • de oorzaak [ doordat, waardoor, dankzij ]
  • de conclusie [ kortom, dus, samenvattend, concluderend ]
  • doel-middel of middel-doel [ opdat, daarmee, door middel van, om te
                  

Slide 12 - Slide

3. EVALUATIE
→ Wat is lastig? 
→ Heb je door dat je alle signaalwoorden uit één zo'n rijtje kunt gebruiken voor hetzelfde signaal? Het zijn synoniemen: ander woord; dezelfde betekenis. 

Toen... Daarna... Vervolgens... Ten slotte...

Maar... Echter... Daarentegen...Daar tegenover...


Op de volgende slide de opdrachten die je moet maken in Taalblokken 3F, Hoofdstuk 4, na de twee Kahoots. 

Slide 13 - Slide

VERWIJSWOORDEN
We gaan oefenen met verwijswoorden (quiz in LessonUp) en je krijgt theorie. 

Slide 14 - Slide

Verwijswoorden gebruik je in een tekst omdat...
A
verwijswoorden handig zijn om te gebruiken
B
het lezen hierdoor gemakkelijker wordt
C
de schrijver niet steeds hetzelfde woord wil gebruiken
D
de schrijver lui is

Slide 15 - Quiz

De studenten gaan zometeen hard aan het werk. Ze hebben geleerd hoe ze verwijswoorden kunnen herkennen en toepassen in een zin.

Waar verwijst “ze” naar?
A
De studenten
B
Hard
C
Werk
D
Verwijswoorden

Slide 16 - Quiz

Met aanwijzende voornaamwoorden wijs je personen of dingen aan

Dit, deze, dat, die
  •  Met dit en deze verwijs je naar iemand of iets dichtbij.
  • met dat en die verwijs je naar iemand of iets ver weg.


Slide 17 - Slide

Dit huis is van mij en dat is jouw huis.

Wat zijn de aanwijzende voornaamwoorden in deze zin?
A
Dit
B
Dit, dat huis
C
Dit, dat
D
Dat

Slide 18 - Quiz

Welke verwijswoorden gebruik je bij het-woorden? (Twee opties)
A
dit
B
deze
C
die
D
dat

Slide 19 - Quiz

Wat is goed?
A
Dit boek
B
Deze boek

Slide 20 - Quiz

Welke verwijswoorden gebruik je voor 'het boek'?
A
deze, die
B
deze, dat
C
dit, dat
D
die, dit

Slide 21 - Quiz

Wat is goed?
A
Dit tasje
B
Deze tasje

Slide 22 - Quiz

Het-woorden  enkelvoud         De-woorden enkelvoud of                                                                           meervoud
Dat                                             Die

Slide 23 - Slide

Voorbeelden
Het geld dat wij hebben verdiend.
De jongen die een jong zusje heeft.
De plannen die Sandra had gemaakt.
Het zusje dat we zagen. 

Dus: altijd kijken naar het ingesloten lidwoord van het zelfstandige naamwoord waar je naar verwijst. 

Slide 24 - Slide

OEFENEN

Op de volgende slide een Kahoot over signaalwoorden, daarna de vereiste opdrachten voor hoofdstuk 4.


Slide 25 - Slide

Slide 26 - Link

2F Thema | Bouwstenen H4
Leesleer 4.1 en maak de opdrachten 1c; 3b; 4. De eindopdracht hoef je niet te doen. 
► 4.2 Lezen → alle opdrachten maken, behalve 9; 11b; 23 
► 4.3 Schrijven → alle opdrachten maken, behalve 3; 4; 6; 8c; 9; 10
► 4.4 Luisteren → alle opdrachten maken, behalve 2a; 6a; 7b; 8a; 9a; 10a; 15a; 
16 t/m 19; 21; 23;
► 4.8 Samengevat → leren, inclusief de woordtrainer.

Niet
Ik heb deze opdracht uitgevoerd mag je laten schieten. Wil je meer oefenen, dan is Versterk jezelf een goede optie (bij 4.8).

Slide 27 - Slide

WANNEER IS DE TOETS?
Die staat in Magister. Reken op de maand maart voor H4, dus dat je de toets dinsdag 1 april maakt, MITS je alle vereiste opdrachten afhebt. 

Slide 28 - Slide

3. NA HET SCHRIJFDOSSIER
Hoofdstuk 04 ► Samenhang (signaalwoorden) [maart]
Grammatica 3.5; 3.6, 3.8 + eindtoets [april]
Hoofdstuk 05 ► Hoofd- en bijzaken [april]
Hoofdstuk 06 ► Feit en mening [mei]
Spelling 4.1, 4.4, test jezelf 4.1-4.5; 4.6, 4.7, 4.8, test jezelf 4.6-4.11, test jezelf 4.12-4.13 + eindtoets [juni]
Hoofdstuk 07 ► Evalueren 
Hoofdstuk 08 ► Samenvatten 
► eindtoets hoofdstuk 1 t/m 8 [juni]

* laatste weken verplicht gemiste onderdelen inhalen

Slide 29 - Slide