Uiterlijk taak 2

Thema uiterlijk
 taak 2
1 / 30
next
Slide 1: Slide
NT2ISK

This lesson contains 30 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Thema uiterlijk
 taak 2

Slide 1 - Slide

Wat gaan we doen?
  • Huiswerk laten zien.
  • Woorden herhalen.
  • Nieuwe woorden leren.
  • Taak 2 maken.

Slide 2 - Slide

Mooi - mooier - ?

Slide 3 - Open question

klein - ? - kleinst

Slide 4 - Open question

? - dommer - domst

Slide 5 - Open question

Hij is lang, maar mijn vriend is ..... .

Slide 6 - Open question

Het is nu ..... buiten.
A
licht
B
donker

Slide 7 - Quiz

Welk woord is hetzelfde als slank?

Slide 8 - Open question

Welk woord hoort niet bij het uiterlijk.
A
kleren
B
haar
C
gezicht
D
aardig

Slide 9 - Quiz

Schrijf een zin met eruitzien.
... zie .... er.....uit.

Slide 10 - Open question

Type hier een titel
Wat ga je in dit thema leren?
  • Je geeft een beschrijving, stelt vragen en beantwoordt vragen.
  • Je doet een onderzoek naar kleding op school.
  • Je voert een discussie over kleding.
  • Je schrijft een tekst over geld uitgeven.
  • Je beschrijft verschillen, bedenkt argumenten en geeft je mening.

Slide 11 - Slide

Doelen
Aan het einde van deze les:
- Kun je de woorden van les 3 vertalen en er een Nederlandse zin mee schrijven.
- Kun je een onderzoeksvraag bedenken en opschrijven.
- Kun je een onderzoek uitvoeren en de resultaten opschrijven.

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Video

Taak 2
  • Je gaat een onderzoek doen naar de kleding bij ons op school.
  • Welke woorden heb je nodig voor deze opdracht? ->

Slide 14 - Slide

Type hier een titel
📉 weinig
Er waren maar weinig mensen op het feest.

🔺 driehoekemoji:
  • beetje
  • niet veel
  • klein

Slide 15 - Slide

Type hier een titel
🔁 vaak
Hij gaat vaak naar de sportschool om fit te blijven.

🔺 woordriehoek
  • regelmatig
  • meestal
  • veel

Slide 16 - Slide

Type hier een titel
📊 meestal
Ik eet meestal brood als ontbijt.

🔺 woorddriehoek:
  • vaak
  • gewoonlijk
  • bijna altijd

Slide 17 - Slide

Type hier een titel
👔 Het overhemd
Hij droeg een net overhemd naar het sollicitatiegesprek.

🔺 woorddriehoek:
  • kleding
  • shirt
  • netjes

Slide 18 - Slide

Type hier een titel
vooral
Ze houdt vooral van zoete snacks.

🔺 woorddriehoek:
  • meestal
  • vaak
  • veel

Slide 19 - Slide

Type hier een titel
🧑 men
Men zegt dat deze stad heel gezellig is.

🔺 woorddriehoek:
  • iedereen
  • mensen
  • ze


Slide 20 - Slide

Type hier een titel
👖De spijkerbroek
Hij kocht een nieuwe spijkerbroek in de winkel.

🔺 woorddriehoek:
  • broek
  • jeans
  • stof

Slide 21 - Slide

Type hier een titel
👟 De gymp
Ik heb nieuwe gympen gekocht

🔺 woorddriehoek:
  • schoen
  • sportschoen
  • comfortabel

Slide 22 - Slide

Type hier een titel
👟 De gymschoen
Hij trok zijn gymschoenen aan voor de sportles. 

🔺 woorddriehoek:
  • schoen
  • sport
  • beweging

Slide 23 - Slide

Type hier een titel
👢 De laars
Ze droeg leren laarzen toen het begon te regenen.

🔺 woorddriehoek:
  • schoen
  • hoog
  • geen gymp

Slide 24 - Slide

Type hier een titel
❌ slechts
Hij had slechts vijf euro voor de lunch.

🔺 woorddriehoek:
  • maar
  • niet veel
  • weinig

Slide 25 - Slide

Type hier een titel
⭐De smaak
Die jurk is helemaal mijn smaak.

🔺 woorddriehoek:
  • mooi
  • lekker
  • mening

Slide 26 - Slide

Opdracht 1
Bedenk drie onderzoeksvragen.
Voorbeelden:
  • Welke kleuren dragen de leerlingen het meest?
  • Welk merk dragen ze het meest?

Schrijf ze op.

Slide 27 - Slide

Jouw onderzoeksvragen:
1.
2.
3.
4.

Slide 28 - Open question

Opdracht 2
2. Bedenk hoe je het onderzoek gaat doen.
- kijken en tellen
- vragen stellen
- op een andere manier


Slide 29 - Slide

Opdracht 3
Doe je onderzoek en schrijf de resultaten op.



Welke kleuren dragen leerlingen het meest?
Welk schoenenmerk vinden leerlingen cool?
Klaar?
Bouwstenen 1, 2 en 3 maken.
Lezen op 1F thema 9 maken.

Slide 30 - Slide