Lezen - H5.3 - les 2

Lezen - H5.3
1 / 20
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 1

This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Lezen - H5.3

Slide 1 - Slide

Start van de les
  • IPad en/of boek op de hoek van je tafel, gesloten.
  • Tas op de grond.
  • Telefoon thuis of in de kluis


Slide 2 - Slide

Doelen
In deze paragraaf leer je:
• wat het verschil tussen een feit en een mening is;
• wat verwijswoorden zijn.

Slide 3 - Slide

Even herhalen

Slide 4 - Slide

Waarmee kun je het eens of oneens zijn? Een feit of een mening?

Slide 5 - Open question

Dit is een mening

Slide 6 - Mind map

Dit is een feit

Slide 7 - Mind map

Verwijswoorden
In een tekst staan vaak verwijswoorden. Ze verwijzen naar één of meer woorden in de tekst. Verwijswoorden zorgen voor afwisseling in een tekst. Voorbeelden van verwijswoorden: hij, hem, zij, haar, het, dat, die, daar.

Slide 8 - Slide

Verwijswoorden
Hoe kom je erachter waar een verwijswoord naar verwijst?


Stel een vraag die begint met:
• wie
• wat
• waar



Slide 9 - Slide

Lorain vindt gezond eten erg belangrijk. Zij eet iedere dag twee ons groente en twee stuks fruit.
Waar verwijst het woordje 'zij' naar?

Slide 10 - Open question

De docent vertelt ons wat het huiswerk is. Hij wil graag dat het morgen af is.
Naar wie verwijst 'hij'?

Slide 11 - Open question

Maken Lezen 5.3  opdr. 6 t/m 18
timer
10:00
Klaar?
  • huiswerk maken
  • begin met de leestaak
  • test jezelf
  • versterk jezelf

Slide 12 - Slide

Exit-ticket
Verwijswoorden.
Wie?
Wat?
Waar?

Slide 13 - Slide

We gaan vanmiddag naar de bioscoop. Daar gaan we een leuke film kijken.
Waar verwijst 'daar' naar? Welke vraag stel je?

Slide 14 - Open question

Al mijn vriendinnen gaan naar het zwembad. Ze gaan samen op de fiets.
Waar verwijst 'ze' naar? Welke vraag stel je?

Slide 15 - Open question

Mijn broer gaat de hele middag leren voor zijn toets. Dat vindt hij een goed idee.
Waar verwijzen 'dat' en 'hij' naar? Welke vraag stel je?

Slide 16 - Open question

Een tekstdoel is ...
A
het doel dat de lezer heeft met het lezen van de tekst
B
het doel dat in de tekst wordt besproken
C
het doel dat de schrijver heeft met het schrijven van teksten
D
het doel dat de schrijver wil bereiken bij de lezer

Slide 17 - Quiz

Tekstdoelen

Een nieuwsbericht heeft als tekstdoel:
A
informeren
B
overtuigen
C
activeren
D
amuseren

Slide 18 - Quiz

Tekstdoelen

Een reclametekst heeft als tekstdoel:
A
Informeren
B
Amuseren
C
Activeren

Slide 19 - Quiz

Tekstdoelen

Een leesboek heeft als tekstdoel:
A
Informeren
B
Amuseren
C
Activeren

Slide 20 - Quiz