5.1 Bewegingen vastleggen

Paragraaf 5.1
Bewegingen vastleggen
1 / 16
next
Slide 1: Slide
Natuurkunde / ScheikundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 16 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Paragraaf 5.1
Bewegingen vastleggen

Slide 1 - Slide

Beweging vastleggen
Bij het vastleggen van een beweging is het belangrijk om 2 grootheden vast te leggen:

- afstand/plaats
- tijd

Slide 2 - Slide

Beweging vastleggen
Manier 1: met een video opname
a. meetlat of bekend voorwerp op opname 
b. camera staat stil 
c. tijd tussen de beelden is bekend 
d. beweging recht voor de camera langs

Slide 3 - Slide

Beweging vastleggen
Manier 2: met een stroboscopische foto

a. meetlat of bekend voorwerp op opname
b. camera staat stil en is lang open 
(lange sluitertijd)
c. tijd tussen de flitsen van een 
stroboscooplamp is bekend
d. beweging recht voor de camera langs

Slide 4 - Slide

Belangrijk is dat je bij het vastleggen van een beweging altijd

  • de afgelegde afstand of plaats kunt herleiden
  • de tijd kunt achterhalen

Deze grootheden heb je nodig om berekeningen te kunnen maken!

Slide 5 - Slide

Plaats-tijd tabel
Een tabel (verzameling meetgegevens) die je kunt maken met:
  • behulp van een video of (stroboscopische) foto, 
  • zelf kunt opmeten met een meetlint en een stopwatch

Belangrijk is dat je de afstand (plaats) en de tijd kunt achterhalen
Met behulp van een tabel kun je een diagram maken.



Slide 6 - Slide

Plaats-tijddiagram
Een lijndiagram met op de x-as de tijd en op de y-as de plaats

De afkorting van tijd is t
De afkorting van plaats is x

Andere naam: x-t diagram

Slide 7 - Slide

Afgelegde afstand
In een plaats-tijd diagram staat de plaats van de beweging ten opzichte van het beginpunt

De afgelegde afstand is niet hetzelfde als de plaats.
  • Plaats is waar je je op een bepaald moment bevindt
  • Afstand is de plaats t.o.v. het beginpunt van je meting
Vergelijk bijvoorbeeld figuur 1 met figuur 2

Slide 8 - Slide

Figuur 1
Figuur 2

Slide 9 - Slide

Afstand uitrekenen

Formule:   s = v . t
s = afstand in meters
v = snelheid in meter per seconde (m/s)
t = tijd in seconde (s)

Slide 10 - Slide

Oefenvragen

Gebruik gegeven, gevraagd en oplossing (G,G,O)

1. Een hardloper rent met een constante snelheid van 5 m/s. Hoeveel meter legt hij af in 600 seconden?
2. Een auto rijdt een afstand van 900 meter met een snelheid van 25 m/s. Hoe lang duurt de rit?

Slide 11 - Slide

Uitwerking vraag 1
Gegeven:      v= 5 m/s
                          t= 600 s
Gevraagd: bereken de afstand
Oplossing: 𝑠=𝑣×𝑡
Invullen (let op de eenheid):
5 × 600 = 3000 m. De hardloper legt 3000 meter (3 km) af.

Slide 12 - Slide

Uitwerking vraag 2
Gegeven: 𝑠 = 900m 
                     𝑣 = 25 m/s
Gevraagd: Bereken de tij d (t)
Oplossing:
t = s / v (let op de juiste eenheden)
t = 900 / 25
t = 36 s        Antwoord: De rit duurt 36 seconden.

Slide 13 - Slide

Omrekenen snelheid
van m/s  naar km/h        x 3,6
van km/h naar m/s       : 3,6
Tijd omrekenen:
van uur naar seconden  X3600
van seconden naar uren :3600

Slide 14 - Slide

Omrekenen
1. Een fietser rijdt met een snelheid van 54 km/u. Zet deze snelheid om naar m/s.
2. Een trein rijdt met 108 km/u. Hoeveel m/s is dit?
3. Een autorit duurt 3,2 uur. Hoeveel minuten duurt de rit?
4. Een film duurt 2 uur en 15 minuten. Hoeveel minuten duurt de film in totaal?
5. Een voetbalwedstrijd duurt 90 minuten. Hoeveel seconden duurt de wedstrijd?
6. Een zwemmer zwemt 200 meter in 4 minuten en 20 seconden. Hoeveel seconden duurt dit           in totaal?

Slide 15 - Slide

Huiswerk

Maken paragraaf 5.1 opdracht 1 tm 7
test jezelf 5.1 (groen vinkje)

Slide 16 - Slide