Zelf een grammaticaal goede zin kunnen samenstellen
1 / 13
next
Slide 1: Slide
TaalBasisschoolGroep 7
This lesson contains 13 slides, with interactive quizzes and text slides.
Items in this lesson
Grammatica en zinsstructuur
Leerdoelen:
Zinsdelen begrijpen
Zelf een grammaticaal goede zin kunnen samenstellen
Slide 1 - Slide
Welke zinsdelen ken je?
Slide 2 - Mind map
Wat is het onderwerp?
Degene die iets doet in de zin > Wie/wat + gezegde?
zijloopt
hijwordt opgehaald
de oude mannenschaken
Slide 3 - Slide
Wat is het onderwerp in deze zin?
De snelle jongen rent een marathon.
A
jongen
B
rent
C
De snelle jongen
D
een marathon
Slide 4 - Quiz
Wat is het onderwerp van deze zin?
De schildpad werd ingehaald door de haas.
A
de haas
B
werd
C
de schildpad
D
haas
Slide 5 - Quiz
Wat is het onderwerp in deze zin?
Het is moeilijk om te zeggen wie er gelijk heeft in deze discussie.
A
moeilijk
B
gelijk
C
deze discussie
D
het
Slide 6 - Quiz
Wat is het lijdend voorwerp?
Wat gedaan wordt > wie/wat + onderwerp + gezegde?
Slide 7 - Slide
Wat is het lijdend voorwerp in de zin?
Ik haal een 1 april grap uit.
A
ik
B
een 1 april grap
C
haal
D
uit
Slide 8 - Quiz
Wat is het lijdend voorwerp in de zin?
De kinderen spelen morgen een wedstrijd?
A
De kinderen
B
kinderen
C
wedstrijd
D
een wedstrijd
Slide 9 - Quiz
Schrijf een zin in de volgende vorm: Onderwerp + persoonsvorm + lijdend voorwerp. Bijv. : Mijn lieve oma stuurt een verjaardagskaart.
Slide 10 - Open question
Laten we de zinnen iets interessanter maken:
de bijwoordelijke bepaling
Hoe? Wat? Wanneer? Waar? Hoe vaak? Hoe lang?
langzaam, iedere zomer, om 8 uur, op het strand, naar Turkije
Slide 11 - Slide
Maak de volgende zin af met een bijwoordelijke bepaling van plaats. Maak hem zo origineel mogelijk: Aankomende zomer ga ik op vakantie ...........................
Slide 12 - Open question
Geef een voorbeeld van een bijwoordelijke bepaling (bwb) van plaats: