M2 7 Grammatica H19 bijwoordelijke bepaling

Vandaag
Lezen
Herhaling H19 meewerkend voorwerp
Uitleg H19 bijwoordelijke bepaling
Aan de slag: keuzebord


1 / 18
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

This lesson contains 18 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Vandaag
Lezen
Herhaling H19 meewerkend voorwerp
Uitleg H19 bijwoordelijke bepaling
Aan de slag: keuzebord


Slide 1 - Slide

Lezen
timer
10:00

Slide 2 - Slide

Lesdoelen
Na deze les:

weet je hoe je het meewerkend voorwerp en de bijwoordelijke bepaling vindt in een zin.

Slide 3 - Slide

Heb je het begrepen? Steek 1, 2 of 3 vingers op. 
Wat is het meewerkend voorwerp in de onderstaande zin?

De ouders kochten een cadeau voor hun jarige kind. 

1) de ouders
2) een cadeau
3) voor hun jarige kind








Slide 4 - Slide

Meewerkend voorwerp
Een meewerkend voorwerp kan in een zin staan, maar dat hoeft niet. 
Er staat altijd maar maximaal één meewerkend voorwerp (mv) in een zin.

Om het meewerkend voorwerp te vinden is het belangrijk dat je de zinsdelen in de juiste volgorde kunt ontleden. 
1. Je begint met het zoeken van de persoonsvorm en het onderwerp van de zin.
2. Vervolgens verdeel je de zin in zinsdelen.
3. Daarna zoek je het werkwoordelijk gezegde en het lijdend voorwerp op.

Pas als je al het bovenstaande begrijpt, ga je verder met het meewerkend voorwerp.



Slide 5 - Slide

Meewerkend voorwerp
Het meewerkend voorwerp (mv) kun je vinden door de volgende vraag te stellen:

meewerkend voorwerp: aan/voor wie + (werkwoordelijk) gezegde + onderwerp + (lijdend voorwerp) 

Let op: Het voorzetsel 'aan' of 'voor' kan bijna altijd worden weggelaten of toegevoegd bij het meewerkend voorwerp.


Slide 6 - Slide

Meewerkend voorwerp
Hij heeft aan Sanne een cadeau gegeven.
stap 1) pv: heeft
stap 2) zinsdelen maken
stap 3) wg: heeft gegeven
stap 4) ow: wie/wat heeft gegeven? hij
stap 5) lv: wie/wat heeft hij gegeven? een cadeau
stap 6) mw: aan (of voor) wie heeft hij een cadeau gegeven? aan Sanne

Let op: in deze zin kun je eenvoudig het voorzetsel ‘aan’ weglaten: ‘Hij heeft aan Sanne een cadeau gegeven.’ Als dat kan, weet je dus al dat je te maken hebt met een meewerkend voorwerp.


Slide 7 - Slide

Meewerkend voorwerp
Vorige week wilden Bart, Kees en Ben een cadeaubon gaan kopen voor de jarige juf.

stap 1) pv: wilden
stap 2) zinsdelen maken
stap 3) wg: wilden gaan kopen
stap 4) ow: wie/wat wilden: Bart, Kees en Ben
stap 5) lv: wie/wat wilden Bart, Kees en Ben gaan kopen: een cadeaubon
stap 6) mv: voor (of aan) wie wilden Bart, Kees en Ben een cadeaubon gaan kopen: voor de jarige juf

Slide 8 - Slide

Meewerkend voorwerp
Ik hang mijn jas aan de kapstok.

pv: hang
zinsdelen maken
wg: hang
ow: wie/wat hang(t): ik
lv: wie/wat hang ik: mijn jas
mv: aan/voor wie hang ik: geen mv in deze zin!

Slide 9 - Slide

Bijwoordelijke bepaling BWB
Saskia sloeg alarm.
 
Dit is een kale zin. Waarom sloeg ze alarm, wanneer sloeg ze alarm, hoe sloeg ze alarm, waar sloeg ze alarm?
 Met bijwoordelijke bepalingen krijg je antwoord op zulke vragen. Ze noemen tijd, plaats en omstandigheden. Er kunnen meerdere in een zin staan.

Om half tien sloeg Saskia alarm. WANNEER?
In Instanbul sloeg Saskia alarm. WAAR?
Vanwege de diefstal van haar paspoort sloeg Saskia alarm. WAAROM?
• Saskia sloeg alarm door hard te gaan gillen. HOE?

Maak aantekeningen!

Slide 10 - Slide

Bijwoordelijke bepaling BWB
Een bijwoordelijke bepaling noemt GEEN eigenschap van een mens, dier of ding!
Dan is het een bijvoeglijke bepaling.

Ook losse woorden kunnen een BWB zijn, zoals:
Ook, zeker, toch, waarschijnlijk, blijkbaar, niet, misschien, absoluut, gelukkig, inderdaad, helaas, immers, hoe, waarom, waarheen.

• Wim rookt niet/kennelijk.
Waarschijnlijk is de accu leeg.

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Slide

Aan de slag: keuzebord
Huiswerk nakijken

Vind je dit nog lastig? Lees de theorie door van H19 en maak opdr. 9 en 10.
Bekijk ook de filmpjes op 16 en de uitleg in Kern op blz. 183.
Hoe: je mag met je buur overleggen, maar doe dit zachtjes. 

Beheers je de stof? 
Maak de verdiepende opdracht creatief schrijven op dia 13.

Ben je klaar? Haal dan de oefentoets op bij mij. Let op: maken t/m H19 H33 en 34 nog niet. 


Slide 14 - Slide

Verdiepende opdracht creatief schrijven BWB

Schrijf een kort verhaaltje (5-7 zinnen) waarin je minimaal drie verschillende bijwoordelijke bepalingen gebruikt. Zorg ervoor dat deze bepalingen betrekking hebben op tijd, plaats en reden. Onderstreep in jouw tekst de bijwoordelijke bepalingen. Let ook op de spelling, interpunctie en grammatica. 

Wissel je tekst uit met een klasgenoot en laat hem of haar controleren:
Zijn er minimaal 3 bijwoordelijke bepalingen gebruikt (tijd, plaats en reden)?
Kunnen ze correct benoemd worden?
Geef elkaar feedback. 
Pas je tekst aan op basis van de feedback en sla de verbeterde versie op. 

Slide 15 - Slide

Volgende les
H34 naamwoordelijk gezegde

Slide 17 - Slide

Zijn voor jou de lesdoelen behaald
Ik kan in een zin de volgende zinsdelen benoemen:
- meewerkend voorwerp en bijwoordelijke bepaling

Vertel.....

Slide 18 - Slide