This lesson contains 33 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.
Items in this lesson
Slide 1 - Slide
timer
15:00
Slide 2 - Slide
Wat gaan we vandaag doen?
- Uitleg voorzetsels
- Oefenen
- Zelfstandig werken
Slide 3 - Slide
Voorzetsels
Slide 4 - Slide
Doel
Aan het eind van de les weet wat je een voorzetsel is en kun je deze benoemen in een zin.
Slide 5 - Slide
Wat is een voorzetsel?
Slide 6 - Mind map
Voorzetsels
Voorzetsels staan meestal voor een lidwoord of een voornaamwoord met een zelfstandig naamwoord. (achter die kast, naast mij, onder de boeken). Ze kunnen ook achter een zelfstandig naamwoord staan, meestal geeft het dan een richting aan. (Ik viel de sloot in, hij liep de weg op. )
Let op! Delen van scheidbare werkwoorden zijn geen vz.
Bv. opbellen. Hij belt mij op. op = geen vz
Slide 7 - Slide
Eigenschappen vz
Ze geven een plaats, tijd of reden aan.
Trucje:
... de kast (achter, op, voor)
... het feest (tijdens, na, gedurende)
Slide 8 - Slide
Slide 9 - Video
Wat is geen voorzetsel?
A
Tijdens
B
eerste
C
achter
D
langs
Slide 10 - Quiz
Wat is GEEN voorzetsel?
A
Links
B
Uit
C
Op
D
Boven
Slide 11 - Quiz
We kijken samen naar voetbal op de televisie
Sleep het vinkje naar het voorzetsel
Slide 12 - Drag question
Zet het juiste voorzetsel in de zin.
Is jouw voetbaltrainer ook zo trots ... zijn team?
op
achter
met
bij
tegen
aan
Slide 13 - Drag question
Zet het juiste voorzetsel in de zin.
Ben jij bang ... spinnen?
op
achter
voor
bij
tegen
aan
Slide 14 - Drag question
Wat is het voorzetsel in deze zin: Ik ga bij mijn vriend voetballen.
Slide 15 - Open question
Welk woord in de zin is het voorzetsel : Mijn fiets staat tegen de schutting.
Slide 16 - Open question
Welk woord in de zin is het voorzetsel : Let op, het zijn er 2! Na schooltijd fiets ik langs de bakker.
Slide 17 - Open question
VUL VOORZETSEL IN Mijn vader fietst ..... het donker.
Slide 18 - Open question
Vul een voorzetsel in: We zijn ..... Brussel gereden.
Slide 19 - Open question
De ondernemende peuter kroop … de tafel - welk voorzetsel kun je hier neerzetten?
Slide 20 - Open question
Vul aan met een voorzetsel: Wij zorgen ... de taart.
Slide 21 - Open question
Vul aan met een voorzetsel: Zij twijfelen ... zijn eerlijkheid.
Slide 22 - Open question
Vul aan met een vast voorzetsel: We hebben een hekel ... huiswerk.
Slide 23 - Open question
Vul aan met een vast voorzetsel Zij geven aanleiding ... ruzie.
Slide 24 - Open question
Haal alle voorzetsels uit de volgende zin:
De kleine kinderen van mijn collega zijn bezig met een prachtige tekening.
Slide 25 - Open question
Haal alle voorzetsels uit de volgende zin: Mijn vader zit te vissen, want hij mag niet naar zijn werk.
Slide 26 - Open question
Maak een zin met 2 voorzetsels.
Slide 27 - Open question
Doel
Aan het eind van de les weet wat je een voorzetsel is en kun je deze benoemen in een zin.
Slide 28 - Slide
Na deze les,
wil ik...
de uitleg nog 1 keer horen
meer voorbeelden krijgen
meer oefeningen maken
de leerstof thuis nog even bekijken
overgaan naar nieuwe leerstof
Slide 29 - Poll
Maken:
Hoofdstuk 6 - voorzetsels
Opdr 1, 2, 3, 4, 5 & 9B
Klaar? Oefenen op cambiumned.nl
Slide 30 - Slide
Extra oefenen
Op de volgende slides staan links naar sites om extra te oefenen.