Herhaling vragen stellen en nieuw: Negatie

Donderdag 13 maart. Fijn dat je er bent!
1 / 22
next
Slide 1: Slide
NT2ISK

This lesson contains 22 slides, with text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 20 min

Items in this lesson

Donderdag 13 maart. Fijn dat je er bent!

Slide 1 - Slide

Vraagwoorden: herhaling

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Slide

Slide 8 - Slide

Slide 9 - Slide

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Slide

Slide 14 - Video

                          GEEN

  • Bij een zelfst. n.w. met een
Ik heb geen fiets.
  • Bij meervoud zonder de
Zij heeft geen kinderen.
  • Bij wrdn die je niet kunt tellen
Wij hebben geen geld.

                           NIET

  • Bij een werkwoord
Mijn man rookt niet.
Ik werk niet op kantoor.
Ze reizen niet met de trein.

  • In alle andere situaties 

Slide 15 - Slide

niet- werkwoord
Mijn man rookt niet
Ik werk niet op kantoor
ze reizen niet met de trein

  1. niet staat vaak aan het einde vd zin
  2. niet staat voor een voorzetsel
  3. niet staat voor het tweede werkwoord

Slide 16 - Slide

Een goede zin met niet maken
  1. niet staat vaak aan het einde vd zin
  2. niet staat voor een voorzetsel
  3. niet staat voor het tweede werkwoord.
  4. niet staat voor een bijvoeglijk naamwoord

Slide 17 - Slide

1. Vaak aan het einde van een zin

Ik zie de pen niet.

Slide 18 - Slide

2. Voor een voorzetsel

Ik zit niet op de tafel

Slide 19 - Slide

3. voor het tweede werkwoord

Nee, ik heb het huiswerk niet gemaakt.

Slide 20 - Slide

4. Voor een bijvoeglijk n.w.
Ik vind het nieuwe model van die auto niet mooi.

Slide 21 - Slide

niet
of 
geen?

Slide 22 - Slide