Les 6.1 vergrotingsfactor en verkleining

H 6.1 Vergrotingsfactor deel 1/2
1 / 29
next
Slide 1: Slide
WiskundeMiddelbare schoolvmbo k, mavoLeerjaar 2

This lesson contains 29 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

H 6.1 Vergrotingsfactor deel 1/2

Slide 1 - Slide

Planning van de les
De foto (wat hebben wij een tijd geleden besproken ?)
Doel van de les bespreken en groepsdoelen
EDI/Samen oefenen
Zelfstandig aan de slag
Evaluatie 

Slide 2 - Slide

Groepsdoel
Ik focus op mijzelf en mijn eigen werk
Wij blijven in de les
Wij behandelen elkaar met respect
Complimenten 

Slide 3 - Slide

Leerdoel


Aan het einde van deze paragraaf weet/ken je :

  • wat een vergrotingsfactor is ;
  • de begrippen origineel en beeld ;
  • hoe je de vergrotingsfactor berekent ;
  • hoe je met de vergrotingsfactor kunt rekenen

Slide 4 - Slide

Wat is volgens jou een vergrotingsfactor?

Slide 5 - Mind map

§6.1 Vergrotingsfactor
  • Als je iets wilt vergroten wil dit zeggen dat je ALLE maten van een figuur vergroot (lengte én breedte!).

Belangrijke begrippen:
  • Origineel (oud) 
  • Beeld (nieuw). 

Vergrotingsfactor = 
lengte beeld : lengte origineel

Slide 6 - Slide

Voorbeeld vergrotingsfactor berekenen

  • Bereken de vergrotingsfactor. 
  • Het 1e plaatje is het origineel. 
  • Lengte origineel = 5 cm
  • Lengte beeld = 7,5 cm 
  • 7,5 : 5 = 1,5
  • De vergrotingsfactor is dus 1,5
Vergrotingsfactor = lengte beeld : lengte origineel

Slide 7 - Slide

Rekenen met vergrotingsfactor

Slide 8 - Slide

Rekenen met vergrotingsfactor

Slide 9 - Slide

Lengte en breedte vergroten
  • Wat gaat er mis? 

Slide 10 - Slide

Een vergrotingsfactor betekent dat je alle zijdes met dezelfde factor vergroot. De figuren hebben dan dezelfde vorm. We noemen dat gelijkvormig. `
De plaatjes hierboven zijn niet gelijkvormig!

Slide 11 - Slide

Deze plaatjes zijn wel gelijkvormig

Slide 12 - Slide

Theorie verkleinen
Als je een beeld gaat verkleinen noemen we dat OOK een vergrotingsfactor. 

Slide 13 - Slide

Verkleinen (= vergroten)
Bij het verkleinen van een figuur heb je ook te maken met een origineel en een beeld.
Om de 'vergrotings'factor te bepalen gebruik je dezelfde formule: 
beeld : origineel

4 : 8 = 0,5
Je vergrotingsfactor = 0,5

Slide 14 - Slide

Verkleining
In de vorige opdracht was de uitkomst 0,5.
Dit is kleiner dan 1, dat betekent dus dat de figuur kleiner wordt, dat zie je ook in het beeld.

Dus ook een verkleining noem je een vergroting, omdat de vergrotingsfactor kleiner is dan 1.

Slide 15 - Slide

Van een foto van twee watervogels maak ik een verkleining. Wat is de vergrotingsfactor?
A
1,78
B
0,56
C
35000
D
Deze kun je niet uitrekenen. Er is te weinig informatie

Slide 16 - Quiz

Yasmine heeft een foto van een kever. De echte kever is 8 mm groot. De foto heeft een vergrotingsfactor van 6. Je gaat de lengte van de kever berekenen. Welke som hoort hierbij?
A
8 + 6
B
8 : 6
C
8 - 6
D
8 x 6

Slide 17 - Quiz




ALS JE STRAKS ZELFSTANDIG EN IN STILTE GAAT WERKEN DAN 

1.Start je met de opdracht.
2.Je werkt in stilte.
3.De docent loopt een startronde.
4.Heb je een vraag ? Lees de opdracht/probeer het nog een keer
5.Kom je er niet uit ? Sla de opdracht over en ga verder. Zodra de docent langskomt voor een hulpronde stel je de vraag.
6. Kun je echt niet verder ?  Pak dan ander werk( uit je tas of van de docent) en zet een sterretje bij de vraag die je niet begrijpt.
Geen vingers omhoog !



Slide 18 - Slide

Zelfstandig aan de slag
§ H6.1
Basis en Kader
Heel hoofdstuk 6.1 afmaken 

KGT : 
Heel hoofdstuk 6.1 afmaken


Slide 19 - Slide

Groepsdoel
Ik focus op mijzelf en mijn eigen werk
Wij blijven in de les
Wij behandelen elkaar met respect
Complimenten 

Slide 20 - Slide

Leerdoel


Aan het einde van deze paragraaf:

  • weet je welke invloed de Tweede Wereldoorlog had op landen met kolonies;
  • kun je uitleggen welke invloed het einde van de Japanse bezetting had op kolonies;
  • kun je uitleggen hoe de onafhankelijkheidsstrijd van Indonesië verliep;
  • weet je hoe nieuwe staten ontstonden na de Tweede Wereldoorlog.

Slide 21 - Slide

Theorie verkleinen
Als je een beeld gaat verkleinen noemen we dat OOK een vergrotingsfactor. 

Slide 22 - Slide

Verkleinen (= vergroten)
Bij het verkleinen van een figuur heb je ook te maken met een origineel en een beeld.
Om de 'vergrotings'factor te bepalen gebruik je dezelfde formule: 
beeld : origineel

4 : 8 = 0,5
Je vergrotingsfactor = 0,5

Slide 23 - Slide

Verkleining
In de vorige opdracht was de uitkomst 0,5.
Dit is kleiner dan 1, dat betekent dus dat de figuur kleiner wordt, dat zie je ook in het beeld.

Dus ook een verkleining noem je een vergroting, omdat de vergrotingsfactor kleiner is dan 1.

Slide 24 - Slide

Van een foto van twee watervogels maak ik een verkleining. Wat is de vergrotingsfactor?
A
1,78
B
0,56
C
35000
D
Deze kun je niet uitrekenen. Er is te weinig informatie

Slide 25 - Quiz

Yasmine heeft een foto van een kever. De echte kever is 8 mm groot. De foto heeft een vergrotingsfactor van 6. Je gaat de lengte van de kever berekenen. Welke som hoort hierbij?
A
8 + 6
B
8 : 6
C
8 - 6
D
8 x 6

Slide 26 - Quiz

Driehoek DEF is een vergroting van de driehoek ABC. Bereken DE.

Slide 27 - Open question

Aan de slag
Paragraaf: 6.1 Vergrotingsfactor
Blz. 59 t/m 63
Maken opdracht 3 t/m 16 (In de les moet t/m 10 sowieso af zijn)

Klaar?
- Nakijken
- Huiswerk rekenen afmaken of Numo rekenen tafels

Slide 28 - Slide

Slide 29 - Slide