4.1 Spelling (vervoegen, persoonsvorm tt en vt)

4.2 Spelling (vervoegen, persoonsvorm tt en vt)
1 / 35
next
Slide 1: Slide
NederlandsSpeciaal OnderwijsLeerroute 1

This lesson contains 35 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

4.2 Spelling (vervoegen, persoonsvorm tt en vt)

Slide 1 - Slide

Les planning
Les doelen bespreken
Lesdoelen vorige les herhalen
Theorie
Korte quiz
Zelfstandig werken
Vooruitblik
Einde les

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Welke werkwoord hoort erbij?

Slide 4 - Open question

Wat is het werkwoord in de volgende zin: Ik schaats beter dan Bob.

Slide 5 - Open question

Wat is het werkwoord in de volgende zin: Jullie vegen de vloer.

Slide 6 - Open question

Wat is het werkwoord in de volgende zin: Onze mentor vertelt een spannend verhaal.

Slide 7 - Open question

Mijn ouders brengen mijn oma naar huis.
A
tt
B
vt

Slide 8 - Quiz

Aan het begin en het einde van de les ging de zoemer.
A
tt
B
vt

Slide 9 - Quiz

Zet de volgende zin in een andere tijd.
Tim koopt een nieuwe scooter.

Slide 10 - Open question

Zet de volgende zin in een andere tijd.
Ik fietste naar school.

Slide 11 - Open question

Zet de volgende zin in een andere tijd.
Mijn ouders brengen mijn oma naar huis.

Slide 12 - Open question

Slide 13 - Slide

De werkwoordsvormen passen niet in de zin. Ze zijn niet vervoegd.

Slide 14 - Slide

Slide 15 - Slide

Slide 16 - Slide

Slide 17 - Slide

Persoonsvorm tegenwoordig tijd (pv tt)  
Loop of loopt
Ik.............................. (worden)
(worden).......................... jij
jij..........................(worden)
Ik.....................(vinden)
hij...........................(vinden)

Slide 18 - Slide

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Slide

Persoonsvorm + onderwerp
Hoe vind je de:
Persoonsvorm: Maak de zin vragend of zet hem in een andere tijd.
Onderwerp: Zet wie of wat voor de pv en het antwoord hierop is het onderwerp. 

Droom jij vaak over een zonnig strand?
persoonsvorm = 
Onderwerp = 

Milan houdt erg van pindakaas en hagelslag op brood.
persoonsvorm =
Onderwerp = 

Slide 21 - Slide

Vul de ik-vorm van het werkwoord in.

kopen - ik .................

Slide 22 - Open question

Vul de ik-vorm van het werkwoord in.

Lezen - ik ...................

Slide 23 - Open question

Vul de ik-vorm van het werkwoord in.

wrijven - ik .....................

Slide 24 - Open question

Meestal ..................... (geven) ik een straatmuzikant twee euro.

Slide 25 - Open question

Eigenlijk .................. (pinnen) ik bijna nooit meer geld.

Slide 26 - Open question

Morgen ................ (worden) ik twaalf jaar.

Slide 27 - Open question

Vul de vorm in die past bij de persoon.
werken
Ik ...........
jij ................
...............jij
Hij ...................


Slide 28 - Open question

De hond ... (blaffen) elke nacht.
Persoonsvorm =
Onderwerp =

Slide 29 - Open question

Ik ... (trappen) zo hard als ik kan om op tijd te komen.
Persoonsvorm =
Onderwerp =

Slide 30 - Open question

... (dromen) jij vaak over een zonnig strand?
Persoonsvorm =
Onderwerp =

Slide 31 - Open question

Else ... (worden) later misschien kapper.
Persoonsvorm =
Onderwerp =

Slide 32 - Open question

Het schattige hondje … (kluiven) op het grote bot.
Persoonsvorm =
Onderwerp =

Slide 33 - Open question

Zelfstandig werken
Maak blz 89 t/m 99
Snap je het niet? Steek je vinger op.
Ben je klaar? Laat je werk zien aan de docent. 

timer
30:00

Slide 34 - Slide

Vooruitblik
De volgende les gaat over formuleren paragraaf 4.3

Slide 35 - Slide