Bron I + J

1 / 27
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

This lesson contains 27 slides, with text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Opdracht 21, 22 en 23.

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

timer
2:00

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Werkwoorden vervoegen...
Hoe doen we dat in het Nederlands?

Wonen, schrijven, leren, etc. 

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

timer
15:00
Naam opschrijven en werkblad inleveren!
Ben je eerder klaar? 
Leer de woordjes!

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Slide 6 - Video

This item has no instructions

Slide 7 - Slide

WRTS
https://leren.wrts.nl/lists/170579108/regelmatige-werkwoorden-op-ar,-er-en-ir 

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

Volgorde "werkwoorden"
ik
jij
hij/zij/het/u
wij
jullie
zij meervoud, u meervoud

Slide 10 - Slide

This item has no instructions

Slide 11 - Slide

Werkblad  'werkwoorden in de tegenwoordige tijd' uitprinten! 
Maak opdracht 24b+c, 25b+c en 26
op bladzijde 47-48 in je werkboek.
timer
15:00

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

Opdracht 25b+c en 26.

Slide 13 - Slide

This item has no instructions

Wat moet je leren?
  1.  Het werkwoord estar (blz 21, tekstboek)
  2. Regelmatige werkwoorden op -ar, -er en -ir (blz 24, tekstboek)
  3. Frases Claves (blz 21 + 24, tekstboek) NL>SP
  4. Woordjes (blz 55 + 56, werkboek) SP>NL (2.1 t/m 2.3) 
    NL>SP 2.4

Slide 14 - Slide

This item has no instructions

Kies uit:

ik, jij, hij, zij, u, 
wij, jullie, zij mv, u mv

Slide 15 - Slide

This item has no instructions

Slide 16 - Slide

Werkblad  'werkwoorden in de tegenwoordige tijd' uitprinten! 
Vertaal onderstaand woorden 
naar het Nederlands 
  1. Ella
  2. Yo
  3. Nosotros, nosotras
  4. Ellos, ellas
  5. Él
  6. Vosotros, vosotras
  7. Usted
  8. Ustedes 
timer
3:00

Slide 17 - Slide

This item has no instructions

Vul de juiste vorm van het werkwoord tussen haakjes in.
  1.  (vivir, ik) __________ en España.
  2. (trabajar, wij) __________ en un supermercado.
  3. (buscar, jij) __________ el chocolate. ¿Dónde está?
  4. (mirar, jullie) __________ la televisión.
  5. (escribir, zij mv) __________ un correo electrónico.
  6. (beber, u) __________ mucho café.
  7. (comer, ik) __________ dulces.
  8. (vender, jij) __________ pasteles.
  9. (escuchar, wij) __________ música.
timer
5:00

Slide 18 - Slide

This item has no instructions

Slide 19 - Slide

This item has no instructions

timer
5:00

Slide 20 - Slide

This item has no instructions

Slide 21 - Slide

https://quizlet.com/_btij4j?x=1jqt&i=4i8w3w
timer
5:00

Slide 22 - Slide

This item has no instructions

Maak opdracht 28C+D op bladzijde 50-51
in je werkboek.

Slide 23 - Slide

This item has no instructions

Slide 24 - Slide

This item has no instructions

Vul de juiste vorm van het werkwoord estar tussen haakjes in.
  1. Yo __________ en el instituto. ¿y tú?
  2. Nosotros __________  en Groningen. Es una ciudad en Holanda.
  3. Mis padres __________  en la farmacia.
  4. El cine __________  al lado del supermercado.
  5. Vosotros __________ en Madrid. Está en España.
  6. Tú __________ en el supermercado. 
  7. Verónica __________ en la biblioteca. 
  8. ¿Dónde __________  las manzanas?
  9. Yo __________ en Europa.
timer
5:00

Slide 25 - Slide

This item has no instructions

Slide 26 - Slide

This item has no instructions

  1. Wie
  2. Wat 
  3. Waar
  4. Waarom
  5. Wanneer
  6. Welk
  7. Hoe
  8. Hoeveel  
A. Cuánto
B. Dónde
C. Quién / quiénes
D. Cómo
E. Qué
F. Por qué
G. Cuál/ cuáles
H. Cuándo

timer
2:00

Slide 27 - Slide

This item has no instructions