20 maart: START cursus lezen 1.4 feit, mening en argument blz. 26 + evt. herhalen spelling

20 maart: START cursus lezen 1.4 feit, mening en argument blz. 26 + evt. herhalen spelling
Havo 2 periode 4 
week 26 1e les (19 maart) oefenen met spelling
2e les (20 maart): 1.4 starten


1 / 18
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 18 slides, with text slides.

Items in this lesson

20 maart: START cursus lezen 1.4 feit, mening en argument blz. 26 + evt. herhalen spelling
Havo 2 periode 4 
week 26 1e les (19 maart) oefenen met spelling
2e les (20 maart): 1.4 starten


Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Welkom H2b 
plattegrond: 

timer
3:00

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Planning H2b
Lezen: eigen leesboek (vlg.30 blz.)
Startopdracht
Instructie 1.4 Feit of menig
~pauze~
Zelfstandig werken 
Afsluiting: huiswerk in agenda


timer
10:00

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Welkom H2a
plattegrond: 

timer
3:00

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

Planning H2a
Lezen voor 25 maart:  t/m blz. 143
Startopdracht
Instructie spelling 1.4 
~pauze~
Zelfstandig werken 
Afsluiting: huiswerk in agenda


timer
10:00

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Startopdracht
Maarten  heeft  de  pizza  aan  de zwerver  gegeven. 

1. Verdeel de zin in zinsdelen. 
2. Benoem de zinsdelen. 



timer
5:00

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

Huiswerk check✓
Online spellingsopdrachten oefenen: 7.1 t/m 7.6* 
Leer theorie 7.3 t/m 7.6 
Je kunt de volgende spellingscategorieën goed spellen:
7.3 Leenwoorden uit het Engels en Frans
7.4 Koppelteken en weglatingsstreepje
7.5 Tussenletters in samenstellingen
7.6 Aan elkaar of los?
Leer en oefen voor 1 april: SO spelling 7.3 t/m 7.6 
* voldoende online oefenen (voor 1 april) levert punt op 

Slide 7 - Slide

This item has no instructions

Doel cursus 1 lezen




1.2 en 1.3 Tekstverbanden en signaalwoorden.
1.4 Je leert feiten, meningen
en argumenten onderscheiden in een tekst.

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

1.4 Feit, mening en argument




Kijk naar het plaatje. 
Wat kan je zeggen 
over of iets
een feit is 
of een mening? 

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

Een FEIT 
is iets waarvan je kunt controleren of het waar of niet waar is. 

Bijv. 
  • Het Nederlands Openluchtmuseum is een museum in Arnhem. 
  • In Amsterdam wonen 110 verschillende nationaliteiten. 

Je kunt feiten controleren door er informatie over op te zoeken. 

Slide 10 - Slide

This item has no instructions

Een MENING/standpunt
= dat wat jij vindt. 

Het is jouw mening. 
Synoniem van mening = standpunt

Vaak herkenbaar aan deze signaalwoorden:
ik vind, volgens mij, lijkt mij, daarom, 
dan ook, dus 
Vaak ook herkenbaar aan deze formuleringen:
er moet, er zou moeten, we zouden moeten

Slide 11 - Slide

This item has no instructions

Een ARGUMENT:
waarom dat jouw mening/standpunt is
Als je zegt waaróm je dat vindt, gebruik je één of meer argumenten

Vaak herkenbaar aan deze signaalwoorden:
want, omdat, immers, namelijk


Slide 12 - Slide

This item has no instructions

- VOORBEELD van een Mening en Argument -

> Mening/standpunt (dat wat jij vindt)





> Argument (waarom jij iets vindt)
 

Slide 13 - Slide

Lees je van standpunt naar argument, dan kun je daar signaalwoorden als WANT en OMDAT tussen zetten (of ze staan er al).

Lees je van argument naar standpunt, dan kun je daar DUS en DAAROM tussen zetten (of ze staan er al). 
oefenen
  1.  Er moet naast NPO 1, 2 en 3 een speciale jongerenzender komen. 
  2. Schaatser Thomas Krol werd in maart 2022 in het Noorse Hamar wereldkampioen op de sprint.
  3. Dat ons land bij elk voetbalkampioenschap oranje kleurt van de plastic troep vind ik afschuwelijk.
  4. De rotonde vlak bij onze school kan beter omgebouwd worden tot een kruispunt met stoplichten. 
  5. Veel kinderen vinden De brief voor de koning van Tonke Dragt het beste jeugdboek aller tijden.
f Kikkervisjes groeien in ongeveer acht weken uit tot kikkers. feit


timer
5:00

Slide 14 - Slide

1. Mening/  Je kan dit vinden. / "er moet"/
2. Feit / Je kunt controleren of het waar of niet waar is. m.a.w. je kunt dit opzoeken. 
3. Mening / Ik vind 
4. Mening / Je kan dit beter vinden 
5. Feit / Je kunt controleren of het waar of niet waar is. m.a.w. je kunt dit opzoeken.

timer
5:00

Slide 15 - Slide

This item has no instructions

Aan het werk
Maak  1.4 opdracht 2 blz. 26/27

 Oefen online met spellingsopdrachten in 7.3 t/m 7.6. 

Daarna mag je verder lezen in je leesboek / 
"De jongen op de berg". 
timer
25:00

Slide 16 - Slide

This item has no instructions

Afsluiting
Check de doelen bij jezelf: 
  1. Ik kan woorden bij de spellingscategorieën van 7.3 t/m 7.6 goed schrijven. 
  2. Ik weet wat feiten, meningen en argumenten zijn. 
  3. En ik kan deze onderscheiden in een tekst. 
timer
5:00

Slide 17 - Slide

This item has no instructions

Volgende les 25 maart: 
Cursus lezen 1.4 vervolg/oefenen
 Huiswerk 25 maart: 
opdracht 2 blz. 26/27 + oefen met je spelling cursus 7.1 t/m 7.6 (online)
Lezen voor 25 maart: 
H2a: Je leest (niet verder dan) t/m blz.143 +  Plak een gele post-it bij een fragment dat je doet denken aan je eigen leven.  //
H2b:Eigen leesboek: min.30 blz. 

voor in de agenda: 
10 april: SO lezen 1.4 en 1.5 
1 april: SO spelling 7.3 t/m 7.6 

Slide 18 - Slide

This item has no instructions