boodschappen - kledingkosten - gas en elektra kosten
C
vakantie - cadeautjes - videoland abonnement
D
Kleding - onderdak - eten
Slide 8 - Quiz
Een slager verkoopt op een dag 150 stukken vlees, van deze 150 stukken zijn 35 stukken gemaakt van rundvlees.
Hoeveel % van de stukken vlees is gemaakt van rundvlees?
A
23,3%
B
21%
C
64%
D
67,7%
Slide 9 - Quiz
Je krijgt €18 zakgeld. Na je verjaardag krijg je 6% meer, hoeveel zakgeld krijg je na je verjaardag?
A
€18,96
B
€15
C
€21
D
€19,09
Slide 10 - Quiz
Waar hoort een plasticbeker bij?
A
Schaarse goederen
B
Vrije goederen
Slide 11 - Quiz
Wat is welvaart?
A
Hoeveel iemand kan kopen
B
In hoeverre je in je behoefte kunt voorzien
C
Hoe leuk je je leven vindt
D
Hoeveel je kunt bewegen
Slide 12 - Quiz
Hoe kan je welvaart toenemen?
A
Door het kopen van goederen en diensten
B
Door zelfvoorziening
C
Door zo min mogelijk uit te geven
D
Door te stoppen met werken
Slide 13 - Quiz
Slide 14 - Slide
Marketingmix voor slagerij jacobus
Prijsbeleid
Plaatsbeleid
Productbeleid
Promotiebeleid
presentatiebeleid
personeelsbeleid
De slagerij verkoopt naast vlees ook broodjes met vlees als lunch.
De slager zit midden in de stad
Een poster in een kledingwinkel
Bij Jacobus is al het varkens vlees 25% in de korting
De winkel ziet er netjes uit.
Alle producten staan overzichtelijk in de schappen
Alle werknemers van de slagerij hebben dezelfde werkkleding aan. Dan zijn ze duidelijk herkenbaar voor de klanten
Slide 15 - Drag question
Wat is het doel van de marketingmix?
A
Reclame
B
Meer verkopen
C
Bekendheid
D
Meer omzet
Slide 16 - Quiz
Wat voor reclame is dit?
A
Commerciële reclame
B
Ideële reclame
Slide 17 - Quiz
De reclame hiernaast is een....reclame
A
commerciële
B
ideële
Slide 18 - Quiz
Als een vriend jou verteld dat je ook een game moet kopen, en jij koopt deze game ook noem je dat
A
Sociale beïnvloeding
B
Commerciële beïnvloeding
Slide 19 - Quiz
Als je door een reclame een bepaald type make-up koopt, noemen we dit:
A
Sociale beïnvloeding
B
Commerciële beïnvloeding
Slide 20 - Quiz
Slide 21 - Slide
Geef de juiste drie soorten inkomens:
A
Inkomen uit arbeid
B
Inkomen uit bezit
C
Incidenteel inkomen
D
Overdrachtsinkomen
Slide 22 - Quiz
Welk begrip past bij de volgende omschrijving?
Je inkomsten en uitgaven op elkaar afstemmen.
Slide 23 - Open question
Joan verkoopt haar appartement omdat hij gaat verhuizen naar Sri-Lanka, Welk soort inkomen heeft Joan hierdoor?
Slide 24 - Open question
Je verdient per maand 130 euro met werk in een supermarkt. Van je ouders krijg je 7,50 euro zakgeld per week. Wat is je overdrachtsinkomen per maand?
Slide 25 - Open question
Welke soorten uitgaven zijn er?
A
Vaste lasten
B
Huishoudelijke uitgaven
C
Incidentele uitgaven
D
Alle antwoorden zijn goed
Slide 26 - Quiz
Janneke heeft boodschappen gehaald, ze heeft daarvoor €25,45 uitgegeven, omdat haar wasmand kapot was heeft ze een nieuwe gehaald bij de blokker voor €14,65. Als laatste heeft ze nog schoonmaakdoeken gekocht bij de action hier betaalde ze €2,45 voor. Hoeveel zijn de huishoudelijke uitgaven van Janneke
Slide 27 - Open question
Slide 28 - Slide
Wat is de betekenis van het economische begrip "Reserveren"?
Slide 29 - Open question
Je wilt over 3 maanden een nieuwe auto kopen, je hebt al €9.000 gespaard de auto kost €11.500. Hoeveel moet je de komende maanden per week reserveren om de auto te kunnen kopen?
A
€145,65
B
€187,56
C
€192,31
D
€2.500
Slide 30 - Quiz
Welke kosten komen allemaal kijken bij het hebben van een scooter naaste de aanschafprijs?
Slide 31 - Open question
Wat is het verschil tussen koopkracht en inflatie?
Slide 32 - Open question
Je loon is 4% omhoog gegaan, de algemene prijzen in Nederland zijn 6% gedaald. Is je koopkracht gestegen of gedaald?
A
Gestegen
B
Gedaald
Slide 33 - Quiz
Je loon is gedaald met 2 %, de prijzen zijn gedaald met 1 %. Is je koopkracht gestegen, gedaald of gelijk gebleven
A
Gestegen
B
Gelijk gebleven
C
Gedaald
Slide 34 - Quiz
Bereken de procentuele stijging of daling + berekening. Jan kreeg 4 jaar geleden €3400 loon per maand nu is dit €800 per week. Bereken de stijging of daling per maand.