b1 les 5

B1 les 5
1 / 14
next
Slide 1: Slide
NederlandsISK

This lesson contains 14 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

B1 les 5

Slide 1 - Slide

Lesplan
1. Spreken: Kunst beschrijven
2. Grammatica uitspraak en voegwoorden
3. Zinnen maken 
4. Spreken: Het restaurant/ menukaart
5. Dictee

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Link

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Vul het goede voegwoord in
en – want – maar – omdat – om – als
1 Ik blijf vanmiddag thuis, __________ ik bezoek krijg van mijn vriend en
 zijn kinderen.
2 Het bezoek komt wel, __________ helaas een uur te laat.
3 De volwassenen drinken koffie __________ de kinderen limonade.
4 __________ het 5 uur is, is het tijd om naar huis te gaan.
5 We maken een nieuwe afspraak, __________ het was gezellig.
6 __________ het oktober is, zien we elkaar weer.
7 Ik ga naar de snackar, __________ ik heb geen tijd meer om te koken.
8 Eten in een snackbar is gemakkelijk __________ ook erg ongezond.

Slide 7 - Slide

Er zijn verschillende soorten signaalwoorden:
Opsomming: ten eerste, en, eveneens, zowel ... als, tevens, daarbij,
vervolgens, bovendien, verder, ook, een andere, daarnaast, ten slotte, tot slot.

Toelichting/voorbeeld: zoals, bijvoorbeeld, zo, een voorbeeld, dat blijkt uit,
dat komt voor bij, ter illustratie, onder andere, neem nou, u kent het wel, ter
verduidelijking.

Volgorde: eerst, vervolgens, dan, daarna, later, voorafgaand, toen, terwijl,
voordat, nadat, zodra, intussen, vroeger.
Ook tijdsaanduidingen kunnen een signaal geven: In 1972, een jaar later, op
12 mei, sinds die tijd, enz.

Slide 8 - Slide

signaalwoorden
Oorzaak/gevolg: door, waardoor, daardoor, doordat, zodat, te danken aan, te
wijten aan, als gevolg van, dientengevolge, had als gevolg, wegens.

 Doel/middel: om ... te, door te, door middel van, met behulp van, opdat,
daarmee, daartoe, teneinde, met als doel, daarvoor.

Voorwaarde: als, indien, mits, wanneer, tenzij, stel dat, in het geval,
aangenomen dat.

Reden/verklaring: want, omdat, dat blijkt uit, hierom, derhalve, aangezien, 

Slide 9 - Slide

Verschil tussen een voegwoord en een signaalwoord
Een voegwoord verbindt zinnen en kan een bijzin inleiden.
Een signaalwoord maakt de structuur van een tekst duidelijk, maar verbindt geen zinnen zoals een voegwoord dat doet.

"Ik blijf thuis, want het regent."
"Hij houdt van sporten. Bijvoorbeeld tennis en voetbal."

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Link

Slide 12 - Link

dictee
Hoewel de vergadering langer duurde dan verwacht, konden we uiteindelijk een goede oplossing vinden voor het probleem.

De overheid heeft nieuwe maatregelen aangekondigd om de economie te ondersteunen en werkgelegenheid te bevorderen.

Tijdens zijn presentatie gaf hij duidelijke voorbeelden, zodat iedereen de complexe theorie beter kon begrijpen.

Slide 13 - Slide

Wat heb je geleerd?
- Wat vond je van de les?
- Wat heb je geleerd?
- Wat wil je volgende week leren?

Slide 14 - Slide