This lesson contains 23 slides, with interactive quizzes and text slides.
Lesson duration is: 45 min
Items in this lesson
De trappen van vergelijking in de Duitse taal
Slide 1 - Slide
Leerdoelen
Aan het einde van deze les kun je uitleggen hoe de trappen van vergelijking in de Duitse taal gemaakt worden en kun je deze toepassen in ten minste 6 verschillende zinnen.
Slide 2 - Slide
Wat weet jij al over de trappen van vergelijking? Ken je ze ook al in het Duits?
Slide 3 - Mind map
Wat zijn de trappen van vergelijking?
De trappen van vergelijking zijn vormen van een bijvoeglijk naamwoord of een bijwoord waarmee een bepaalde gradatie wordt uitgedrukt.
De trappen van vergelijking bestaan uit:
de Positiv (= de stellende trap),
de Komparativ (= de vergrotende trap) en
de Superlativ (= de overtreffende trap).
Slide 4 - Slide
Der 'Positiv' (= de stellende trap)
De Positiv is de standaardvorm van een bijvoeglijk
naamwoord of bijwoord en wordt gebruikt om een eigenschap te beschrijven zonder te vergelijken.
Beispiel:
schön (= mooi).
Slide 5 - Slide
Der 'Komparativ'
Bij de Komparativ wordt een ding met één ander ding vergeleken. Het wordt gevormd door '-er' achter het bijvoeglijk naamwoord te plaatsen.
Beispiel:
schön - schöner
(mooi - mooier)
Slide 6 - Slide
Der 'Superlativ'
Bij de Superlativ wordt één ding vergeleken
met de rest (van de groep)
Het wordt gevormd door 'am' vóór en -sten achter de stellende trap te plaatsen.
am stellende trap +'-sten'
Beispiel: amschönsten (het mooist).
Slide 7 - Slide
Zusammenfassung Steigerungsstufen
Positiv schön
Komparativ schöner
Superlativ am schönsten
Slide 8 - Slide
Uitzonderingen
Slide 9 - Slide
Slide 10 - Slide
Slide 11 - Slide
Samenvatting
Je hebt geleerd hoe de trappen van vergelijking in de Duitse taal gemaakt worden en je kunt deze toepassen in ten minste 6 verschillende zinnen.
Slide 12 - Slide
Oefenen Steigerungsstufen
Pak je wisbordje
Schrijf op jouw wisbordje wat volgens jou het juiste antwoord is.
Per juist ingevuld item kan je 1 punt scoren. Houd je score (juist beantwoorde vragen) bij.
Slide 13 - Slide
1. Wer von euch kann ................. singen?
(gut --> Superlativ / overtreffende trap)
Slide 14 - Slide
2. Ich kaufe mir ......1....... (oft , Komparativ/ vergrotende trap) neue Schuhe ......2........(als / wie) meine Schwester.
Slide 15 - Slide
3. Wie ........ ist Alex?
A
älter
B
alt
C
am ältesten
D
alter
Slide 16 - Quiz
4. Arjan ist genauso groß .............. (wie/ als?) ich.