2.1

2.1-2.2
1 / 26
next
Slide 1: Slide
NT2MBOStudiejaar 1

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 150 min

Items in this lesson

2.1-2.2

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Terugkijken

Slide 3 - Slide

Terugkijken op het bezoek aan broodje aap. Donderdag komt Ursula in de les

Slide 4 - Mind map

This item has no instructions

Strookjestekst

                                                   Groepjes van 3
                                                   Leg de strookjes in de juiste volgorde

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Vooruitkijken
Globale luistervraag:
Wat doen veel Nederlanders op Koningsdag?

Slide 6 - Slide

Naar Amsterdam
naar feesten en concerten
Welke feestdagen ken je?

Slide 7 - Mind map

This item has no instructions

Wat leer je vandaag?
Ik kan vertellen welke feesten en gewoontes er in Nederland zijn.
Ik weet wat de blauwe woorden van 2.1 betekenen.
Ik kan vertellen welk feest ik in mijn land het leukst vind.
Ik kan deze woorden verstaan, uitspreken en schrijven.
Functioneel
Structureel

Slide 8 - Slide

Voorkennis ophalen
Werkvorm zoek de fout:

In tweetallen zoeken de cursisten de fout.
Vraag klassikaal een paar tweetallen uit te leggen wat precies de fout is.
Wat is een feestdag?
A
een dag wanneer je verdriet hebt
B
een dag die niet leuk is
C
Een dag wanneer je feest viert
D
een dag die heel leuk is

Slide 9 - Quiz

This item has no instructions

Op welke feestdag eten we chocola en zoeken we eieren?
A
Koningsdag
B
Kerstmis
C
Pasen
D
Sinterklaas

Slide 10 - Quiz

This item has no instructions

Op welke feestdag zien we veel oranje?
A
Koningsdag
B
Sinterklaas
C
1e Kerstdag
D
2e Kerstdag

Slide 11 - Quiz

This item has no instructions

Op welke dag vieren we onze vrijheid?
A
Hemelvaartsdag
B
1e Pinksterdag
C
Koningsdag
D
Bevrijdingsdag

Slide 12 - Quiz

This item has no instructions

Op welke dag doen we iets romantisch voor onze partner?
A
Moederdag
B
Valentijnsdag
C
Kinderdag
D
Vaderdag

Slide 13 - Quiz

This item has no instructions

Slide 14 - Video

This item has no instructions

Slide 15 - Slide

This item has no instructions

Zelfstandig werken



  1. Maak opdracht 3, 4, 5, 7 en 8 in je boek. 
  2. Je hebt hiervoor 20 minuten de tijd.
  3. Wissel van boek met je buurman/buurvrouw.
  4. Bespreek de verschillen
timer
20:00

Slide 16 - Slide

This item has no instructions

Verboden woord
  1. Pak een kaartje
  2. Op het kaartje staat een woord uit 
  3. Zeg het woord niet!
  4. Omschrijf het woord voor je medecursisten
  5. Je medecursisten proberen het woord te raden. 

Voorbeeld: op het kaartje staat het woord banaan.
Je zegt: Het is fruit. Het is geel.  Iemand raadt: een banaan!

Slide 17 - Slide

This item has no instructions

Welk feest in jouw land vind je het leukst?

Slide 18 - Slide

This item has no instructions

Opdracht 10 en 11
Beantwoord de vragen



                                         De praatstoel: Vertel in de klas over het feest dat jij het leukst vindt.

Slide 19 - Slide

This item has no instructions

de sneeuw
hetzelfde
verschillen
de wereld

Slide 20 - Drag question

This item has no instructions

Nederlanders eten vroeg.
A
waar
B
niet waar

Slide 21 - Quiz

This item has no instructions

Bijna alle Nederlanders kunnen zwemmen.
A
waar
B
niet waar

Slide 22 - Quiz

This item has no instructions

Alle Nederlanders kunnen fietsen.
A
waar
B
niet waar

Slide 23 - Quiz

This item has no instructions

Nederlanders vinden het niet belangrijk om op tijd te komen.
A
waar
B
niet waar

Slide 24 - Quiz

This item has no instructions

Nederlanders zijn klein.
A
waar
B
niet waar

Slide 25 - Quiz

This item has no instructions

Nederlanders zeggen graag wat ze denken en vinden.
A
waar
B
niet waar

Slide 26 - Quiz

This item has no instructions