This lesson contains 45 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.
Lesson duration is: 50 min
Items in this lesson
Transport van Stoffen
Diffusie
Osmose
Actief vs Passief transport
Slide 1 - Slide
Slide 2 - Video
Slide 3 - Slide
Slide 4 - Slide
Slide 5 - Slide
Diffusie in een vloeistof
Diffusie met een permeabel membraan
Slide 6 - Slide
Diffusie
Bij diffusie kunnen stoffen zich vrij bewegen in lucht of water.
Gaat van hoge naar lage concentratie.
Diffusiesnelheid hangt af van:
diffusieafstand
temperatuur
concentratieverschil
Speelt een belangrijke rol bij:
- longen
- opname van stoffen (in de darmen)
Slide 7 - Slide
Osmose
Slide 8 - Slide
Osmose
Slide 9 - Slide
Osmose
Slide 10 - Slide
Slide 11 - Video
Slide 12 - Slide
Hyper, Hypo, Iso, Wie is wie?
Slide 13 - Slide
Osmose
Bij osmose is er een semipermeabel membraan. Opgeloste stof kan niet vrij verplaatsen, water wel.
Water gaat van plek met lage osmotische waarde naar hoge osmotische waarde.
Osmotische waarde is het totaal aan opgeloste stof tov oplosmiddel.
Speelt een belangrijke rol bij:
- nieren
- cellen
- bloed
- worteldruk (bij planten)
Slide 14 - Slide
Slide 15 - Slide
Slide 16 - Slide
Slide 17 - Slide
Waarom zou een plant dit doen?
Slide 18 - Slide
Passief vs Actief transport
wat is het verschil?
Slide 19 - Slide
passief transport
via porie of transporteiwit
van een hoge concentratie naar een lage concentratie
kost geen energie
Slide 20 - Slide
actief transport
via transporteiwit
van een lage concentratie naar een hoge concentratie
kost energie = ATP omzetting in ADP
Slide 21 - Slide
Rekenen en oefenvragen
Diffusie, Osmose, Transport
en celorganellen
Slide 22 - Slide
Aan de slag:
Opdrachten bij Basisstof 3: Transport van Stoffen
Slide 23 - Slide
Diffusie
actief transport
gefaciliteerd transport
passief transport
Slide 24 - Drag question
Een cel heeft geen celkern, het is dus een...
A
dier
B
plant
C
bacterie
D
schimmel
Slide 25 - Quiz
Wat is de functie van het golgi-systeem in de cel?
A
zorgt voor vertering van stoffen in de cel
B
produceren van eiwitten
C
vorm geven aan eiwitten en het verpakken van eiwitten in blaasjes
D
vervoeren van eiwitten door de cel
Slide 26 - Quiz
Als appels rijp worden, verandert de schil van kleur. Welke verandering in de plastiden is hiervan de oorzaak? Groen --> Rood
A
chloroplasten zijn overgegaan in chromoplasten
B
chloroplasten zijn overgegaan in amyloplasten
C
chromoplasten zijn overgegaan in amyloplasten
D
amyloplasten zijn overgegaan in chromoplasten
Slide 27 - Quiz
Een pantoffeldiertje neem water op door osmose. Waar is de concentratie opgeloste deeltjes dan het hoogst?
A
in het pantoffeldiertje
B
buiten het pantoffeldiertje
C
binnen en buiten het pantoffeldiertje is het gelijk
Slide 28 - Quiz
12. Een staafje gesneden uit een verse aardappel wordt in een 10% suikeroplossing gelegd. Na een uur wordt het staafje gemeten en gewogen. Het blijkt dat:
A
Korter en zwaarder te zijn geworden
B
Korter en lichter te zijn geworden
C
Langer en zwaarder te zijn geworden
D
Langer en lichter te zijn geworden
Slide 29 - Quiz
15. Een plantencel wordt in een oplossing gelegd. Is deze oplossing isotoon, hypertoon of hypotoon ten opzichte van de plantencel?
A
Hypertoon
B
Hypotoon
C
isotoon
Slide 30 - Quiz
Drie reageerbuizen worden gevuld met oplossingen van keukenzout (NaCl) van verschillende concentraties. Buis 1 bevat een 0,1% NaCl-oplossing, buis 2 bevat een 0,9% NaCl-oplossing en buis 3 bevat een 1,5% NaCl-oplossing. In elk van deze buizen wordt een stukje van hetzelfde verse weefsel ondergedompeld. De stukjes weefsel zijn allemaal even groot en rood van kleur. Voordat ze in de buizen zijn gedaan, zijn ze eerst goed afgespoeld totdat ze geen kleurstof meer afgeven. De oplossing in buis 1 is licht rood geworden. De oplossingen in buis 2 en 3 zijn kleurloos gebleven. Leerling 1 beweert dat osmotische waarde in de cellen van buis 3 hoger is dan die in de cellen in oplossing 2. Leerling 2 beweert dat de turgor van de cellen van buis 3 lager is dan die van de cellen in buis 2.
A
Geen van de leerlingen heeft gelijk
B
Alleen leerling 1 heeft gelijk
C
Alleen leerling 2 heeft gelijk
D
Beide leerlingen hebben gelijk
Slide 31 - Quiz
In de afbeelding zie je een bak die door een permeabele wand in twee helften is verdeeld. Links bevindt zich een suikeroplossing van 4%. Rechts een suikeroplossing van 8%. Wat wordt de suikerconcentratie in de hele bak als de suikermoleculen zich gelijk over beide oplossingen verdelen?
Slide 32 - Open question
In de afbeelding zie je een bak die door een permeabele wand in twee helften is verdeeld. Links bevindt zich een suikeroplossing van 4%. Rechts een suikeroplossing van 8%. In welk deel van de bak bevinden zich de meeste suikermoleculen, direct na het vullen van de bak? Leg je antwoord uit.
Slide 33 - Open question
Waarom gaan planten dood wanneer er in de winter/voorjaar veel strooizout wordt gebruikt?
Slide 34 - Open question
Een fysiologische oplossing is:
A
4% suiker in water
B
0,9% zout (NaCl) in water
C
8% suiker in water.
D
9% zout (NaCl) in water
Slide 35 - Quiz
Wat gebeurd er met bloedcel als die in contact komt met een 5% (hypertone) oplossing?
A
neemt water op dus krimpt
B
niets
C
neemt water op dus zwelt op
D
stoot water af dus krimpt
Slide 36 - Quiz
Hoe heten de eiwitten waar water door het celmembraan heen wordt getransporteerd?
A
Fosfolipiden
B
Aquaporines
C
Ribosomen
D
Osmosemoleculen
Slide 37 - Quiz
hoe is de osmotische waarde van de vacuole ten opzichte van de andere cellen?
laagst
tussenin
hoogst
Slide 38 - Drag question
Welk soort eiwitten zorgt voor het vervoeren van stoffen door het celmembraan?
A
Transporteiwitten
B
Hormonen
C
Receptoren
D
Enzymen
Slide 39 - Quiz
Je kunt de verschillende celonderdelen van planten en dieren benoemen.
kernlichaam
Ruw-ER
Golgi-appartaat
Mitochondriën
Nucleus
Ribosoom
Slide 40 - Drag question
Wat is de juiste volgorde bij eiwitsynthese (eiwitvorming)