Reflexive and reciprocal pronouns

Today
  • Reflexive and reciprocal pronouns
1 / 22
next
Slide 1: Slide
EngelsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 80 min

Items in this lesson

Today
  • Reflexive and reciprocal pronouns

Slide 1 - Slide

Goals for this grammar:

- I know what reflexive and reciprocal pronouns mean and I can use them correctly in English

Slide 2 - Slide

Grammar : Reflexive and reciprocal pronouns 
I took a picture of myself. > Ik nam een foto van mezelf.
She bought herself a new computer. > Zij kocht een nieuwe computer voor zichzelf.

Je gebruikt wederkerende voornaamwoorden om te praten over situaties waarbij het onderwerp en het lijdend voorwerp dezelfde persoon zijn.




Slide 3 - Slide

Grammar: Reflexive and reciprocal pronouns 
He saw himself in the mirror. 
They enjoyed themselves at the party.

Je vertaalt -self en -selves met zich of zichzelf.








Slide 4 - Slide

Grammar: Reflexive and reciprocal pronouns 
Do you shave even on Sundays?
She’s old enough to dress herself.

Let op! In het Engels gebruik je geen wederkerend voornaamwoord na werkwoorden als wash, dress en shave, behalve wanneer je nadruk wil leggen op wie de handeling uitvoert.












Slide 5 - Slide

Reflexive pronouns :
I
myself
you(jij)
yourself
he/she/it
himself/herself/itself
we
ourselves
you(jullie)
yourselves
they
themselves
   Singular
(enkelvoud)
   Plural
(meervoud)

Slide 6 - Slide

reciprocal             = wederkerig,wederzijds,onderling

Slide 7 - Slide

Grammar: Reflexive and reciprocal pronouns 
They saw each other at the festival. Zij zagen elkaar op het festival.
You have to look after one another! > Jullie moeten voor elkaar zorgen!

Je gebruikt de wederkerige voornaamwoorden each other en one another om te praten over ‘elkaar’.
















Slide 8 - Slide

myself
yourself
himself
herself
itself
ourselves
themselves
I
you
he
she
it
we
they

Slide 9 - Drag question

Wat betekent "each other, one another"? bijv. they talk to each other.
A
zichzelf
B
elkaar

Slide 10 - Quiz

Welke reflexive pronoun staat in het enkelvoud?
A
himself
B
themselves

Slide 11 - Quiz

Welke reflexive pronouns (wederkerend vnw.) hoort bij "you"
A
myself
B
yourself
C
themselves
D
itself

Slide 12 - Quiz

Welke reflexive pronouns (wederkerend vnw.) hoort bij "I"
A
myself
B
yourself
C
itself
D
yourself

Slide 13 - Quiz

Reflexive pronouns worden gebruikt om.....................een persoon / dier / ding
A
bezit aan te geven van
B
aan te geven hoe iets gebeurd met
C
terug te verwijzen naar
D
aan te geven dat iets in de toekomst gebeurd met

Slide 14 - Quiz

Vul de juiste reflexive pronoun in:
you bought ________ a new computer
A
myself
B
himself
C
yourself

Slide 15 - Quiz

We looked at _________ (=we keken naar elkaar).
A
ourselves
B
each other

Slide 16 - Quiz

They talk to _______ (=zij praten tegen hun zelf).
A
themselves
B
themself

Slide 17 - Quiz

She hurt _______.
A
herselves
B
himself
C
herself

Slide 18 - Quiz

Subject: reflexive & reciprocal pronouns.

Translate: Wij keken naar elkaar = We looked at________ _________ .

Slide 19 - Open question

Slide 20 - Link

Practise -> click here

Slide 21 - Slide

Homework (Chapter 5)

E- ex. 27,28,29

Slide 22 - Slide