2024 uitdrukkingen en gezegden

Uitdrukkingen en gezegden
Woordenschat
1.4 figuurlijk taalgebruik
1 / 20
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 25 min

Items in this lesson

Uitdrukkingen en gezegden
Woordenschat
1.4 figuurlijk taalgebruik

Slide 1 - Slide

Water en vuur zijn:
A
Zich ergens niets van aantrekken
B
Tegengesteld zijn
C
Het kan alle kanten uit gaan
D
Elk logisch verband ontbreekt

Slide 2 - Quiz

Iets in de groep gooien

Slide 3 - Slide

Iets zwart op wit hebben

Slide 4 - Slide

Dat staat als een paal boven water

Slide 5 - Slide

Blaffende honden bijten niet

Slide 6 - Slide

Hij ziet ze vliegen

Slide 7 - Slide

Van het kastje naar de muur gestuurd worden

Slide 8 - Slide

Van een mug een olifant maken

Slide 9 - Slide

Het is buigen of barsten:
A
Je door niets laten tegenhouden
B
Door fouten te maken
C
Het moet hoe dan ook gebeuren
D
Als het erop aankomt

Slide 10 - Quiz

Wie de schoen past, trekke hem aan:
A
een verkeerde beslissing nemen
B
met grote tegenzin iets doen
C
commentaar krijgen in plaats van waardering
D
Iets dat op jou van toepassing is accepteren en de consequenties aanvaarden.

Slide 11 - Quiz

Over koetjes en kalfjes praten:
A
Praten over alledaagse dingen
B
Onzin vertellen
C
Geen antwoord op de vraag willen geven
D
Iets eerlijk opbiechten

Slide 12 - Quiz

Iets in de doofpot stoppen:
A
Samenwerken
B
Iets samen onderzoeken/bespreken
C
Er wordt niet meer over een zaak gesproken
D
Ergens oneens over zijn

Slide 13 - Quiz

Door de bomen het bos niet meer zien:
A
Te veel problemen zien
B
Geen overzicht meer hebben
C
Niet weten waar je moet zijn
D
De uitgang niet kunnen vinden

Slide 14 - Quiz

Met een schone lei beginnen:
A
Een nieuwe start maken
B
Alles opruimen en beginnen
C
Je troep opruimen
D
Niet meer uitgeven dan er binnenkomt

Slide 15 - Quiz

Oude koeien uit de sloot halen:
A
Iemand gaat niet snel een tweede keer de fout in, want mensen leren van de fouten die ze maken.
B
Als alles tegenzit, daarover flink mopperen
C
Wie slecht over een ander spreekt, spreekt slecht over zichzelf.
D
Terugkomen op dingen uit een (ver) verleden die al zijn opgelost.

Slide 16 - Quiz

Een speld in een hooiberg zoeken:
A
Iets voor niets doen
B
Je best doen zonder resultaat te krijgen
C
Iets zoeken wat vrijwel onmogelijk te vinden is
D
Een nieuwe bril nodig hebben

Slide 17 - Quiz

Een druppel op een gloeiende plaat:
A
Te laat actie ondernemen
B
Een kleine inspanning of verandering heeft weinig tot geen effect op een groot probleem.
C
Tijdens het bakken vloeistof knoeien
D
Iets totaal verkeerd aanpakken

Slide 18 - Quiz

Slide 19 - Slide

Zijn er nog vragen?
Aan de slag!

Slide 20 - Slide