Voorbereiding SE module C Deel 4B

Voorbereiding SE module C Deel 4B
1 / 40
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 4

This lesson contains 40 slides, with interactive quizzes and text slide.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Voorbereiding SE module C Deel 4B

Slide 1 - Slide

Van welke stof begint de vertering in de mond?
A
Koolhydraten
B
Eiwitten
C
Vetten
D
Voedingsvezel

Slide 2 - Quiz

MAAG
LEVER
DUNNE DARM
DIKKE 
DARM
TWAALF
VINGERIGE 
DARM
SPEEKSEL

-productie zoutzuur
-enzym verteerd eiwit voor een deel
-Groot oppervlak
-enzymen verteren eiwitten & koolhydraten
-opname voedingsstoffen in het bloed
Maakt gal wat vetten kleiner maakt
Bevat enzym wat zetmeel verteerd
-onttrekt water uit voedselbrij
-opname water in bloed
Hier mengen gal & alvleessap met de voedselbrij

Slide 3 - Drag question

Door voedingsvezels verloopt de darmperistaltiek beter.
A
waar
B
niet waar

Slide 4 - Quiz

Als de dunne darm niet goed werkt krijgt iemand dan..
A
ondergewicht
B
overgewicht

Slide 5 - Quiz

Wat wordt er veel opgeslagen in het onderhuidse bindweefsel?
A
Water
B
Vet
C
Mineralen

Slide 6 - Quiz

De kans op voedselbederf is in de zomer groter dan in de winter. Dat komt door:
A
Micro-organismen groeien in de zomer sneller dan in de winter
B
Micro-organismen groeien in de winter sneller dan in de zomer

Slide 7 - Quiz

Als een geit 10 kg aan hooi eet, is die geit na 24 uur minder dan 10 kg zwaarder geworden.
Noem 2 oorzaken waardoor dit komt.

Slide 8 - Open question

Hoe heet onderdeel 12?
A
Slokdarm
B
Poortader
C
Darmvlok
D
Endeldarm

Slide 9 - Quiz

planteneters
vleeseters
alleseters
herbivoor
carnivoor
lange darmen
korte darmen
middellange darmen
knip kiezen
plooi kiezen
knobbel kiezen
omnivoor

Slide 10 - Drag question


Gal wordt gemaakt in:
Gal wordt opgeslagen in:
A
Galblaas - Lever
B
Galblaas - Galblaas
C
Lever - Lever
D
Lever - Galblaas

Slide 11 - Quiz

De lever maakt gal. Wat is de functie van gal?
A
Gal is een hulpstof voor de vertering van koolhydraten.
B
Gal bevat een enzym voor de vertering van vetten.
C
Gal is een hulpstof voor de vertering van vetten.
D
Gal bevat een enzym voor vertering van eiwitten.

Slide 12 - Quiz

Wat doet maagsap?
A
Doodt bacteriën
B
Verteert vezels
C
Verkleint vetdruppels
D
Verteert eiwitten

Slide 13 - Quiz

Aders
Slagaders
Haarvaten
Gaat naar het hart toe
Gaat van het hart af
Kleinste bloedvaten, geeft voedingsstoffen af

Slide 14 - Drag question

Sleep de onderdelen naar het hart. Gebruik alle woorden
Rechterboezem
Rechterkamer
Linkerboezem
Linkerkamer
Zuurstof rijk
Zuurstof rijk
Zuurstof arm
Zuurstof arm
Bloed stroomt het hart in
Bloed stroomt het hart in
Bloed stroomt het hart uit
Bloed stroomt het hart uit

Slide 15 - Drag question


Wat is de longader?
A
2
B
3
C
7
D
1

Slide 16 - Quiz

Wat gebeurt er als de aderkleppen niet goed functioneren?
A
Vorming van bloedstolsels
B
Verhoogde bloeddruk en hartritmestoornissen
C
Verminderde zuurstoftoevoer naar de organen
D
Terugstroming van bloed en spataderen

Slide 17 - Quiz

Welke typen vaten lijkt op aders als je kijkt naar hun bouw?
A
Slagaders
B
lymfevaten
C
haarvaten

Slide 18 - Quiz

Wat zorgt voor het transport van voeding-en afvalstoffen en antistoffen?
A
bloedplasma
B
rode bloedcellen
C
bloedplaatjes
D
witte bloedcellen

Slide 19 - Quiz

Welke fase van de hartslag zie je in de afbeelding?
A
Hartpauze
B
Samentrekken boezems
C
Samentrekken kamers

Slide 20 - Quiz

Wat is weefselvloeistof?
A
Vloeistof in de bloedvaten
B
Vloeistof tussen de cellen in de weefsels
C
Vloeistof in de darmen
D
Vloeistof in het verteringsstelsel

Slide 21 - Quiz

Dit is het deel van het bloed wat bestaat uit vooral water, met daarin eiwitten en opgeloste stoffen
A
Bloedplasma
B
Rode bloedcellen
C
Witte bloedcellen
D
Bloedplaatjes

Slide 22 - Quiz

Wat is de functie van de kransslagaders?
A
Zuurstof naar het hart brengen
B
Zuurstof bij het hart ophalen
C
Koolstofdioxide naar het hart brengen
D
Koolstofdioxide bij het hart ophalen

Slide 23 - Quiz

Waar worden rode bloedcellen gemaakt?
A
In de lever
B
In het beenmerg
C
In het hart
D
In het ruggenmerg

Slide 24 - Quiz

In de tekening zie je een slagader, haarvaten, een ader en een lymfevat.

Kunnen zich op plaats P witte bloedcellen bevinden? En kan zich op plaats P zuurstof bevinden?

A
alleen witte bloedcellen
B
alleen zuurstof
C
zowel witte bloedcellen als zuurstof
D
geen witte bloedcellen en geen zuurstof

Slide 25 - Quiz


Wat is lymfe?
A
Lymfe is hetzelfde als weefselvloeistof
B
Vloeistof die uit de lymfevaten de weefsels in gaat
C
Weefselvloeistof met rode bloedcellen
D
Weefselvloeistof die in de lymfevaten is gestroomd

Slide 26 - Quiz

Een van de functies van de huid is temperatuur regulatie. Hoe ziet de huid eruit als je het warm hebt? En hoe ziet de huid eruit als je het koud hebt?
Warm
Koud

Slide 27 - Drag question

Longen en huid
Alleen longen
Kieuwen
Kieuwen en huid

Slide 28 - Drag question

Lagen van de huid
Opperhuid
Lederhuid
Hoornlaag

Slide 29 - Drag question


De dokter meet ook hoeveel lucht Dorien kan inademen en uitademen. Hierbij gebruikt zij een spirometer, een apparaat dat de longfunctie meet.

Het diagram in afbeelding 6 geeft de hoeveelheid lucht in de longen van Dorien weer gedurende een bepaalde tijd. In die tijd ademt zij een paar keer gewoon in en uit door de spirometer. En eenmaal ademt ze zo diep mogelijk in en uit.
A
P
B
Q
C
R
D
S

Slide 30 - Quiz

Bij inademing door buikademhaling....
A
Trekken de buitenste tussenribspieren samen
B
Trekken de binnenste tussenribspieren samen
C
Trekt het middenrif samen
D
Trekken de buikspieren samen

Slide 31 - Quiz

Neusademhaling is beter dan Mondademhaling omdat de lucht verwarmd wordt.
Wat is nog een reden dat het gezonder is?
A
De lucht wordt gekeurd
B
De lucht wordt vochtig gemaakt
C
De lucht wordt gezuiverd
D
Alle antwoorden zijn goed

Slide 32 - Quiz

Wat is ONJUIST over longemfyseem?
A
Je hebt beschadigde longblaasjes.
B
Er zijn veel longblaasjes afgestorven.
C
Je kunt minder zuurstof opnemen in je bloed dan iemand zonder longemfyseem.
D
Kapotte longblaasjes kunnen weer aangroeien.

Slide 33 - Quiz

Wat gebeurd er bij astma?
A
Bloedvaatjes worden nauwer
B
Spiertjes in de luchtwegen trekken samen
C
Longblaasjes raken verstopt
D
Spiertjes in de bloedvaatjes worden nauwer

Slide 34 - Quiz

De nieren zorgen ervoor dat de hoeveelheid afvalstoffen in je bloed groter wordt.
A
ja
B
nee

Slide 35 - Quiz


De afbeelding geeft onder andere een nier weer. Welke letter geeft het nierbekken aan?
A
P
B
Q
C
R
D
S

Slide 36 - Quiz

De afbeelding gaat over de mens. Je ziet hoe stoffen worden uitgewisseld tussen uitwendig milieu, inwendig milieu en de opslag in organen.

Welke processen horen bij de genummerde pijlen?
reserves aanvullen
reserves opnemen
uitscheiden
voedsel opnemen

Slide 37 - Drag question

Bij een nierbekkenontsteking is de wand van een nierbekken ontstoken. Dit kan worden veroorzaakt door bacteriën die via de urinewegen van buiten het lichaam zijn gekomen.
Door welke delen zijn de bacteriën achtereenvolgens gekomen?
A
nierbekken - urinebuis – urineblaas – urineleider 
B
urineblaas - urinebuis – urineleider – nierbekken
C
urineleider – urineblaas – urinebuis – nierbekken
D
urinebuis – urineblaas – urineleider – nierbekken

Slide 38 - Quiz

Longen
Tracheeën
Kieuwen
Longen en huid

Slide 39 - Drag question

Wat hoort bij de mens en wat hoort bij het insect? 
Mens
Insect
Het bloed vervoert zuurstof naar cellen
Zuurstof komt via de longen het lichaam in
Tracheeën vervoeren zuurstof naar cellen
Zuurstof komt via stigma's het lichaam in

Slide 40 - Drag question