This lesson contains 26 slides, with text slides and 1 video.
Lesson duration is: 40 min
Items in this lesson
Guten Morgen
liebe Schüler
Slide 1 - Slide
Lernziel(e)
Je weet wat een keuzevoorzetsel is en wanneer je welke naamval aan welk voorzetsel moet koppelen.
Je kunt kunt woorden uit de nieuwe woordenlijst in opdrachten invullen.
Slide 2 - Slide
Programma:
Deel 1:
- HW nakijken
- uitleg nieuwe grammatica A
- Zelfstandig aan het werk met opdrachten grammatica.
Deel 2:
- nieuwe woorden samen doornemen
- zelfstandig werken
Slide 3 - Slide
Was haben wir in der letzten Stunde gemacht?
Was haben wir in der letzten Stunde gemacht?
Slide 4 - Slide
Huiswerk nakijken
Kapitel 5
A-> Wortschatz, Aufg. 3, 4, 5, 6, 7, in je boek
Slide 5 - Slide
Aufgabe 3
Eigen antwoord, bijvoorbeeld: der Beruf, der Nebenjob, der Polizist, die Polizistin, der Mediendesigner, die Mediendesignerin, der Krankenpfleger, die Krankenschwester, die Arbeit, das Studium, das Unternehmen, arbeiten, erfolgreich
Slide 6 - Slide
Aufgabe 4
Slide 7 - Slide
Aufgabe 5
1 erfolgreich
2 Weltreise
Slide 8 - Slide
Aufgabe 6
Slide 9 - Slide
Aufgabe 7
1 Mein Traumberuf ist Polizist.
2 Das ist aber ein großer Vorteil.
3 Er hat mir eine gute Idee gegeben.
4 Mia und Max lassen nichts hören.
5 Ich möchte später einfach glücklich sein.
Slide 10 - Slide
Keuzevoorzetsels
Slide 11 - Slide
0
Slide 12 - Video
Voorzetsels 3e naamval
uit
bij
met
na / naar
sinds
van
naar (personen)
aus =
bei =
mit =
nach =
seit =
von =
zu =
Slide 13 - Slide
Voorzetsels 4e naamval (DOGBUF)
tot
door
voor
tegen
zonder
om
bis =
durch =
für =
gegen =
ohne =
um =
Slide 14 - Slide
Wechselpräpositionen zijn keuzevoorzetsels. Hiernaast zie je de 9 voorzetsels waar het om gaat.
De 9 keuzevoorzetsels zijn:
an: aan
auf: op
hinter: achter
in: in
neben: naast
über: boven
unter: onder
vor: voor
zwischen: tussen
Slide 15 - Slide
Keuzevoorzetsels
an
aan/op (alleen bij dagen)
auf
op
hinter
achter
neben
naast
in
in/binnen
über
over
unter
onder
vor
voor
zwischen
tussen
Slide 16 - Slide
Dativ -> 3e nv
Dativ = rust, ergens zijn.
Je kunt de vraag: Wo (waar)? of wann(wanneer)? stellen
Die Zeitung liegt auf dem Tisch.
Akkusativ -> 4e nv
Akkusativ = beweging, ergens heen.
Je kunt de vraag: Wohin (waarheen)? stellen
Sie wirft die Zeitung auf den Tisch (m).
Slide 17 - Slide
Filmpje methode met uitleg
Slide 18 - Slide
Keuzevoorzetsels "folder"
4
3
3 /
4
Slide 19 - Slide
Slide 20 - Slide
Slide 21 - Slide
Slide 22 - Slide
Zelfstandig aan het werk
Kapitel 5
B-> Wortschatz, Aufg. 9, 10, 11 in je boek
E-> Gramm, Aufg. 18, 19, 20, 22, in folder
Slide 23 - Slide
Deel 2
Neue Grammatik
Slide 24 - Slide
Hausaufgaben
Kapitel 5
B-> Wortschatz, Aufg. 9, 10, 11 in je boek
E-> Gramm, Aufg. 18, 19, 20, 22, in folder
Slide 25 - Slide
Kijk nu terug naar de lesdoelen:
Je weet hoe je de der- en de ein-Gruppe moet herkennen en gebruiken.
Je kunt een reportage over jonge mensen en hun toekomstdromen begrijpen.