Oefentoets hoofdstuk 11, VWO2 (zonder celspecialisatie)

Zet de juiste benaming bij de nummers 1, 2 en 3.
teelbal
bijbal
zaadleider
prostaat
zaadblaasjes
zwellichaam
blaas
urineleider
1 / 43
next
Slide 1: Drag question
BiologieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

This lesson contains 43 slides, with interactive quizzes.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Zet de juiste benaming bij de nummers 1, 2 en 3.
teelbal
bijbal
zaadleider
prostaat
zaadblaasjes
zwellichaam
blaas
urineleider

Slide 1 - Drag question


Zaadcellen zijn de kleinste cellen van het menselijke lichaam.
Waarom zijn deze cellen zo klein?

Slide 2 - Open question

Zet onderstaande zinnen in de goede volgorde: 1. de zwellichamen vullen zich met bloed
2. de zaadcellen verlaten de bijballen
3. de zaadblaasjes voegen vocht toe
4. man wordt opgewonden
5. prostaat voegt vocht toe
6. de man heeft nu een erectie
7. de man heeft een zaadlozing

Slide 3 - Open question

In de afbeelding zie je verschillende organen en stoffen die bij de man voorkomen.

Wat is de naam van nummer 2?

Slide 4 - Open question

In de afbeelding zie je verschillende organen en stoffen die bij de man voorkomen. Welk hormoon maakt nummer 3? En wat wordt door het hormoon bij nummer 3 aangemaakt?

Slide 5 - Open question


Het baarmoederslijmvlies is niet altijd even dik.
Wanneer is het baarmoederslijmvlies het dikst?
A
als de menstruatie een dag bezig is
B
direct na afloop van de menstruatie
C
enkele dagen voor de eisprong
D
enkele dagen na de eisprong

Slide 6 - Quiz


De menstruatiecyclus van Aisha duurt meestal 28 dagen. Op 3 maart is ze voor het laatst ongesteld geworden. Dat duurde vier dagen. Aisha merkt dat zij na daarna niet meer ongesteld is geworden. Ze heeft in haar vruchtbare periode geslachtsgemeenschap gehad, waarbij het condoom is gescheurd, dus ze loopt risico dat ze zwanger is. Aisha weet zeker dat zij op dit moment nog geen kinderen wil.
Op welke data was Aisha vruchtbaar?  Noteer datum/data.

Slide 7 - Open question


Wat gebeurt er bij innesteling?
A
Een bevruchte eicel begint zich te delen en wordt een bolletje cellen.
B
Een bolletje van delende cellen gaat vast zitten in het baarmoederslijmvlies.
C
Een bolletje van delende cellen reist naar de baarmoeder.
D
Een eicel wordt bevrucht door een zaadcel.

Slide 8 - Quiz

Bekijk de tekening hieronder.
a. Bij welk nummer vindt de eisprong plaats ?
b. Bij welk nummer deelt de eicel zich voor het eerst ? 
eisprong
eerste deling
1
2
3
4
5

Slide 9 - Drag question


De pil en het hormoonspiraaltje zijn voorbehoedsmiddelen die gebruik maken van hormonen. Is de werking van de hormonen in de pil en in het spiraaltje hetzelfde ? Leg uit: Ja/Nee, want……..

Slide 10 - Open question


De pil en het condoom zijn 2 van de meest gebruikte voorbehoedsmiddelen. Allebei beschermen ze tegen ongewenste zwangerschap. Welk voordeel heeft het gebruik van een condoom t.o.v. de pil?

Slide 11 - Open question


Welke overeenkomst hebben het koperspiraaltje en de morning-afterpil? 

Slide 12 - Open question


Welk hormoon stimuleert tijdens de zwangerschap de groei van melkklieren in de borsten? 
A
FSH
B
LH
C
oestrogeen
D
progesteron

Slide 13 - Quiz


Uit twee eicellen en twee zaadcellen ontstaat een ........................... tweeling.
A
eeneiïge
B
tweeeiïge

Slide 14 - Quiz


Een vrouw heeft aan het eind van de zwangerschap vaak last van maagzuur.
Leg uit hoe dit komt.

Slide 15 - Open question


Leg uit hoe de placenta werkt en gebruik daarbij onderstaande woorden.
navelstrengslagader(s) – moeder – afvalstoffen – foetus – voedingsstoffen - navelstrengader(s)

Slide 16 - Open question


Is onderstaande beweringen juist of onjuist? 
Een vrouw kan zwanger worden van voorvocht. 
A
juist
B
onjuist

Slide 17 - Quiz


Is onderstaande beweringen juist of onjuist? 
Medicijnen die een zwangere vrouw inneemt, kunnen bij de foetus terechtkomen. 
A
juist
B
onjuist

Slide 18 - Quiz


In de kern van een cel is een geslachtschromosoom X aanwezig.
Wat is waar?
A
Deze cel kan alleen een eicel van een meisje zijn.
B
Deze cel kan alleen een huidcel van een jongen zijn.
C
Deze cel kan zowel een huidcel van een jongen als van een meisje zijn.
D
Deze cel kan alleen zaadcel van een jongen zijn.

Slide 19 - Quiz

Zijn onderstaande voorbeelden van fenotypen erfelijk of niet-erfelijk?
erfelijk
niet erfelijk
navelpiercing
flaporen
stijl haar
blauwe plukken haar

Slide 20 - Drag question


Wat zijn chromosomen?

Slide 21 - Open question

Hoeveel chromosomen bevat cel 1?
Hoeveel chromosomen bevat cel 2?
Geef je antwoord zo: Cel 1:.....
Cel 2:....

Slide 22 - Open question


De vruchtwaterpunctie en de vlokkentest zijn niet geheel zonder risico. Daarom kiest een vrouw tegenwoordig allereerst voor het wel of niet uitvoeren van een NIPT-test. Hierbij wordt gezocht naar embryocellen in het bloed van de moeder. Welke twee voordelen heeft de NIPT-test ten opzichte van de andere twee testen? Leg je antwoord uit. 

Slide 23 - Open question


In de afbeelding zie je het resultaat van een DNA onderzoek. Zijn de chromosomen van de moeder of van het embryo?
Leg je antwoord uit.

Slide 24 - Open question

Welk hormoon hoort bij welke lijn?
blauwe lijn:
rode lijn:
oestrogeen
progesteron

Slide 25 - Drag question

Bij welke stippellijn vindt de ovulatie plaats? Bij welke stippellijn is een vrouw niet vruchtbaar?
ovulatie:
niet vruchtbaar:
14
28

Slide 26 - Drag question


Siamese tweelingen zitten met een deel van hun lichaam aan elkaar vast. In de afbeelding hiernaast zie je een voorbeeld van zo’n tweeling. Zijn Siamese tweelingen ééneiige of twee-eiige tweelingen of kunnen beide varianten voorkomen bij zulke tweelingen? Leg uit.

Slide 27 - Open question

Kinderen met het syndroom van Down hebben een chromosoom extra. Dit kan ontstaan doordat tijdens een bepaalde celdeling iets mis gaat. Er ontstaat dan een geslachtscel met 24 chromosomen in plaats van 23 chromosomen.
Welke celdeling is dit?

Slide 28 - Open question


Welk hormoon zorgt ervoor dat het baarmoederslijmvlies groeit?
A
oestrogeen
B
progesteron

Slide 29 - Quiz


Evy is zwanger. Het lege follikel verdwijnt, hierdoor krijgt Evy een miskraam.
Leg uit dat Evy door het verdwijnen van het lege follikel een miskraam krijgt.

Slide 30 - Open question


Bekijk de foto van het meisje.
a. Wat is haar fenotype?
b. Wat is haar genotype?

Slide 31 - Open question

Bekijk de afbeelding.
Hoeveel chromosomen bevat een
stuifmeelkorrel van een tomatenplant?
A
8
B
24
C
12
D
kan je niet zeggen

Slide 32 - Quiz


Thijn heeft bij de supermarkt zaden van een moestuinplantje gekregen. Hij besluit de zaden in de potjes met grond te doen en geeft ze regelmatig water. De zaadjes ontkiemen en het plantje gaat groeien. Wat kun je zeggen over het genotype en fenotype na ontkieming?
A
genotype: veranderd fenotype: veranderd
B
genotype: veranderd fenotype: blijft het zelfde
C
genotype: blijft het zelfde fenotype: veranderd
D
genotype: blijft het zelfde fenotype: blijft het zelfde

Slide 33 - Quiz

Twee uitspraken:

Marit zegt: Op elk chromosoom ligt 1 gen
Jefta zegt: Chromosomen komen in lichaamscellen in paren voor
A
Marit heeft gelijk
B
Jefta heeft gelijk
C
beide hebben gelijk
D
beide hebben ongelijk

Slide 34 - Quiz

Twee uitspraken:

Marloes zegt: Een bevruchte eicel van de mens heeft 23 chromosomen
Wiebe zegt: Een cel van je baarmoeder heeft 46 chromosomen

Wie heeft gelijk?
A
Marloes heeft gelijk
B
Wiebe heeft gelijk
C
beide hebben gelijk
D
beide hebben ongelijk

Slide 35 - Quiz

Hoe noem je de fasen 5/6, als het kindje naar buiten begint te komen?
A
Geboorte
B
Uitdrijving
C
Perswee
D
Ontsluiting

Slide 36 - Quiz

Vera laat in de maand juni een röntgenfoto maken om te onderzoeken of haar eileiders verstopt zijn. Het onderzoek kan maar in een bepaalde periode van de menstruatiecyclus worden gedaan, namelijk nadat de menstruatie over is en voordat de ovulatie optreedt. Vera heeft een regelmatige menstruatiecyclus van 28 dagen. Ze verwacht dat haar volgende menstruatie begint op 1 juni.
Welke datum is voor Vera de beste dag voor een afspraak?
A
10 juni
B
15 juni
C
30 juni

Slide 37 - Quiz

Hier staan drie beweringen over de betekenis van het vruchtwater voor het embryo:
1 Door het vruchtwater wordt het embryo beschermd tegen schokken.
2 Uit het vruchtwater neemt het embryo de benodigde zuurstof op.
3 In het vruchtwater kan het embryo zich gemakkelijk bewegen.
Welke van deze beweringen zijn juist?

A
1 en 2
B
1 en 3
C
2 en 3
D
1,2 en 3

Slide 38 - Quiz

Met welk nummer wordt het vruchtvlies aangegeven?
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 39 - Quiz


Met welk nummer wordt het deel aangegeven waar het bloed van de moeder langs het bloed van de embryo stroomt en waar stoffen worden uitgewisseld tussen moeder en embryo?
A
nummer 1
B
nummer 2
C
nummer 3
D
nummer 4

Slide 40 - Quiz

Wat is het verschil tussen mitose en reductiedeling(meiose)?
A
Bij mitose worden geslachtscellen gemaakt
B
Bij reductiedeling worden geslachtscellen gemaakt
C
Bij reductiedeling worden lichaamscellen gemaakt
D
Bij mitose worden zaadcellen gemaakt

Slide 41 - Quiz

Hoeveel chromosomen heeft een diploïde menselijke cel?
A
23
B
46
C
69
D
92

Slide 42 - Quiz

Welk type celdeling zie je in de afbeelding hiernaast?
A
Mitose
B
Meiose
C
Kan je niet zeggen

Slide 43 - Quiz