M2a/c herhaling begrippen leesvaardigheid

Ben jij een gevorderde (begrijpend) lezer?
  • Je maakt deze LessonUp om te onderzoeken of je de begrippen die bij begrijpend lezen horen nog kent en kunt toepassen.



Tip: maak aantekeningen!
1 / 40
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 2

This lesson contains 40 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Ben jij een gevorderde (begrijpend) lezer?
  • Je maakt deze LessonUp om te onderzoeken of je de begrippen die bij begrijpend lezen horen nog kent en kunt toepassen.



Tip: maak aantekeningen!

Slide 1 - Slide

Welke begrippen moet je als gevorderde lezer kennen en kunnen toepassen op een tekst?
  1. Onderwerp van een tekst
  2. Deelonderwerpen
  3. Tekstdoelen
  4. Tekstsoorten
  5. Tekstopbouw
  6. Manieren van lezen (oriënterend, grondig, globaal)
  7. Hoofdzaak
  8. Bijzaak
  9. Kernzin
  10. Hoofdgedachte

Slide 2 - Slide

Bespreek de uitkomst met je coach voordat je verder gaat!
Tekstsoorten
Inleiding
Middenstuk
Alinea
Deelonderwerp
Tussenkopje
Titel
Hoofdgedachte
Kernzin
Hoofdzaak
Bijzaak
Tekstdoelen
Deze begrippen beheers ik:
Deze begrippen beheers ik (nog) niet: 

Slide 3 - Drag question

Tekstdoelen en Tekstsoorten

Slide 4 - Slide

Wat weet je nog?
Noem de tekstdoelen!

Slide 5 - Open question

De tekstdoelen zijn:
  1. Amuseren
  2. Informeren
  3. Overtuigen
  4. Instrueren/Uitleg geven
  5. Overhalen/Activeren

Slide 6 - Slide

Wat is een voorbeeld van een amuserende tekst?
A
Roman, strip, kort verhaal
B
Nieuwsbericht, instructie
C
Ingezonden brief, tekst op een online forum
D
Reclamefolder, advertentie

Slide 7 - Quiz

Welk tekstdoel hoort bij een studieboek?
A
Amuseren
B
Informeren en/of uitleg geven
C
Overtuigen
D
Activeren

Slide 8 - Quiz

Welke van de vijf tekstdoelen (amuseren, informeren, overtuigen, uitleg geven of activeren) hoort bij een reclamefolder?

Slide 9 - Open question

Welke tekstsoort hoort bij het tekstdoel overtuigen:
A
Geboortekaartje
B
Kort verhaal
C
Uitnodiging
D
Een ingestuurd bericht op een online forum

Slide 10 - Quiz

Welk tekstdoel hoort bij een recept?
A
Uitleg geven
B
Overtuigen
C
Overhalen/activeren
D
Informeren

Slide 11 - Quiz

Waaraan herken je een infographic?

Slide 12 - Open question

Noem twee kenmerken van de tekstvorm instructie.

Slide 13 - Open question

Waaraan kun je het beste zien met wat voor tekstsoort je te maken hebt?
A
Het lettertype
B
De schrijver
C
De bron

Slide 14 - Quiz

De opbouw van een tekst

Slide 15 - Slide

Een tekst bestaat uit drie delen. Het eerste deel is de inleiding. Noem de andere twee delen. Vul je antwoord zo in: …….. en ……..

Slide 16 - Open question

Welke functies kan een inleiding hebben?
A
De aandacht van de lezer trekken.
B
Het onderwerp introduceren.
C
Antwoord A en B zijn allebei juist.

Slide 17 - Quiz

Noem een manier waarop een schrijver in de inleiding de aandacht van de lezer kan trekken?

Slide 18 - Open question

Ieder tekstonderdeel bestaat uit één of meerdere alinea's. Noem twee manieren om een nieuwe alinea te beginnen.


Slide 19 - Open question

Waar vind je de titel van een tekst?
A
Onderaan de tekst
B
Middenin de tekst
C
Boven de tekst
D
Boven de tweede alinea

Slide 20 - Quiz

Hoe noem je het kopje boven een alinea?

Slide 21 - Open question

Wat is het verschil tussen het onderwerp van de tekst en een deelonderwerp?

Slide 22 - Open question

Een tekst heeft als onderwerp ‘school’. Welke deelonderwerpen kun je verwachten? Noem er drie.

Slide 23 - Open question

Wat is het verschil tussen hoofdzaak en bijzaak in een tekst?

Slide 24 - Open question

Hoe heet de zin van een alinea waar de belangrijkste informatie over het deelonderwerp in staat?
A
Hoofdzin
B
Bijzin
C
Kernzin
D
Bijzaak

Slide 25 - Quiz

Waar vind je de kernzin meestal?
A
In het midden van de alinea
B
De eerste zin van de alinea
C
De hele alinea
D
De laatste zin van de alinea

Slide 26 - Quiz

Wat is het verschil tussen het onderwerp en de hoofdgedachte van een tekst?

Slide 27 - Open question

Leesstrategieën
Als je een tekst leest, dan kan dat op verschillende manieren:

  • Je kan de tekst oriënterend lezen
  • Je kan de tekst globaal lezen
  • Je kan de tekst grondig lezen

Slide 28 - Slide

Leg uit wat het verschil tussen deze manieren van lezen is.

Slide 29 - Open question

Als je het onderwerp van de tekst wil weten. Welke manier van lezen kies je dan?
A
Oriënterend
B
Globaal
C
Precies

Slide 30 - Quiz

Als je achter de deelonderwerpen van de tekst wil komen. Welke manier van lezen kies je dan?
A
Oriënterend
B
Globaal
C
Precies

Slide 31 - Quiz

Wat is de hoofdgedachte van een tekst?
A
In één woord waar de tekst over gaat
B
Alle kernzinnen achter elkaar
C
Waar de schrijver aan dacht
D
In één zin waar de tekst over gaat

Slide 32 - Quiz

Wat zijn synoniemen?
A
Zinnen die een woord toelichten
B
Woorden die dezelfde betekenis hebben
C
Woorden zonder betekenis
D
Woorden die een tegengestelde betekenis hebben

Slide 33 - Quiz

Bedenk een synoniem voor het woord 'man'.

Slide 34 - Open question

In een overtuigende tekst geef de schrijver zijn/haar mening. Die wordt onderbouwd met...
A
synoniemen
B
signaalwoorden
C
argumenten
D
informatie

Slide 35 - Quiz

Welke signaalwoorden voor een argument ken je?

Slide 36 - Open question

Sleep de juiste onderdelen naar de kopjes.
Kernzin
Verwijswoord
Eerste of laatste zin van alinea
Belangrijkste zin
Staat er vaak vlak voor
Verwijst naar woord of woordgroep.
Woorden als: Die, dit, dat, welke, het
Staat af en toe in het midden

Slide 37 - Drag question

Je bent klaar met de test! 

Slide 38 - Slide

Ik heb het gevoel dat ik door het herhalen van de begrippen meer klaar ben voor de toets.
Mee eens
Mee oneens

Slide 39 - Poll

Ik vind het prettig om een oefentoets te maken voordat ik de 'echte' toets maak
Mee eens
Mee oneens

Slide 40 - Poll