week 27

¡Bienvenidos a la clase de Español!
Marzo 31, 2025
Profesor Gómez
1 / 33
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 33 slides, with text slides and 1 video.

Items in this lesson

¡Bienvenidos a la clase de Español!
Marzo 31, 2025
Profesor Gómez

Slide 1 - Slide

OBJETIVOS DOELEN
1. Ik kan een tekst lezen in het Spaans.

Slide 2 - Slide

SO 
Woensdag - Lezen toets

Hoe moet ik voorbereiding?
Herhalen woordjes Capítulo 1 y 2.
Oefenen Lezen in de les/kwt uur/thuis.

Slide 3 - Slide

Oefenen
Capítulo 1

Opdrachten 9, 19, 23, 34
Página 33

D-toets (2) Leer


Slide 4 - Slide

Oefenen
Capítulo 2

Opdrachten 9, 20, 26

D-toets (2) Leer


Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

COMER
Geef een advies aan Juan. Hij is ziek thuis. Gebruik het werkwoord COMER.



Slide 7 - Slide

Estudiar
Geef een advies aan José. Hij haal alleen slechte cijfers. Gebruik het werkwoord ESTUDIAR.



Slide 8 - Slide

Samen nakijken
Ejercicios 28b - Página 111

Ejercicio 3c, 4a, 4b - Página 125


Slide 9 - Slide

DEPORTE

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Slide

Jugar al baloncesto

Slide 13 - Slide

Ejercicio 32
Samen doen

Una vez a la semana (enkelvoud)
Dos veces a la semana (meervoud)
Tres...

Una vez al mes
Dos veces al mes.

Slide 14 - Slide

Páginas 115-116
Opdracht c
Tarea - Samen 

Slide 15 - Slide

D-toets maken Página 35 (tekstboek)
Página 119- werkboed
Ejercicios 27 y 28

Slide 16 - Slide

Slide 17 - Video

El adjetivo: bijvoeglijke naamwoorden
                     Wat is een bijvoeglijke naamwoord?
Zegt iets over het zelfstandig naamwoord.
Past zich altijd aan, aan het zelfstandig naamwoord
     mannelijk/vrouwelijk + enkelvoud/meervoud

                                                 De plaats:
                           Bijna altijd achter het zelfst. nw
                           De mooie jurk   -   El vestido bonito
                           Het blauwe huis   -   la casa azul
 

Slide 18 - Slide

Terugblik: Bijvoeg. naamwoord

Slide 19 - Slide

Kleding: werkwoord llevar + kledingstuk
ik draag
llevo
jij draagt
llevas
hij/zij draagt
lleva
wij dragen
llevamos
julllie dragen
lleváis
zij dragen
llevan
een t-shirt
una camiseta
een overhemd
una camisa
een broek
unos pantalones
een spijkerbroek
unos vaqueros
een jas
una chaqueta
een trui
un jersey
een blouse
una blusa
blanco/a (+s)
negro/a (+s)
gris (+es)
rojo/a (+s)
verde (+s)
azul (+es)
amarillo/a (+s)
lila (+s)
rosa (+s)
naranja (+s)
marrón (+es)

Slide 20 - Slide

¿Qué llevas hoy? 
                                                       llevar - dragen/aanhebben (kleding)


yo
llevo
llevas
él/ella
lleva
nosotros
llevamos
vosotros
lleváis
ellos/ ellas
llevan

Slide 21 - Slide

kleding: werkwoord llevar + kledingstuk
ik draag
llevo
jij draagt
llevas
hij/zij draagt
lleva
wij dragen
llevamos
julllie dragen
lleváis
zij dragen
llevan
een t-shirt
una camiseta
een overhemd
una camisa
een broek
unos pantalones
een spijkerbroek
unos vaqueros
een jas
una chaqueta
een jurk
un vestido
een rok
una falda
blanco/a (+s)
negro/a (+s)
gris (+es)
rojo/a (+s)
verde (+s)
azul (+es)
amarillo/a (+s)
lila (+s)
rosa (+s)
naranja (+s)
marrón (+es)

Slide 22 - Slide

Color del vestido
El vestido rojo

Slide 23 - Slide

PLENDA
1. Marzo 13: SO Capítulo 3
Bron D: De plaats van het bijvoeglijk naamwoord
Bron E: Frases clave
Het werkwoord TENER y LLEVAR
Bron G: Werkwoorden met klinkerwisseling van o/u naar ue
Vocabulario 3.4 (sp-nl)

Slide 24 - Slide

LLEVAR
Dragen
Bijvoorbeeld:





Yo llevo una camiseta naranja.
llevar
dragen
yo
llevo
tú 
llevas
él
lleva
nosotros
llevamos
vosotros
lleváís

ellos
llevan

Slide 25 - Slide

TENER
Hebben
tener
hebben
yo
tengo
tú 
tienes
él
tiene
nosotros
tenemos
vosotros
tenéis

ellos
tienen
Bijvoorbeeld:





Yo tengo ojos azules.

Slide 26 - Slide

Werkwoorden met klinkerwisseling van o/u naar ue

Slide 27 - Slide

Klinkerwisseling: o/u > ue
De stamklinker "o" of "u" verandert in "ue" bij alle personen behalve bij nosotros en vosotros. 
  • Stap 1: vind de stam van het werkwoord.
                   Hoe?
  • Stap 2: bepaal welke uitgang erachter moet.
  • Stap 3: vervang de "stam o/u" door "ue" 
AR/ER/IR eraf halen

Slide 28 - Slide

Ww met klinkerwisseling
poder =
kunnen/mogen

De 'o' verandert in 'ue' bij persoon 1,2,3 en 6:

klinkerwisseling 
ik kan
jij kunt
hij kan
wij kunnen
jullie kunnen
zij kunnen

Slide 29 - Slide

Poder
(kunnen/mogen)
Contar
(vertelllen)
Dormir
(Slapen)
Volver
(Teruggaan)
Jugar
(Spelen)
Mostrar
(laten zien)
Yo
Él - ella- usted
Nosotros
Vosotros
Ellos/ustedes

Slide 30 - Slide

Vocabulario 3.4

Slide 31 - Slide


Zelfstandig werken

- Capítulo 3 - Ejercicio 21
- Extra ejercicio 

VOLGENDE LES MEENEMEN! 
Huiswerk nakijken!
timer
20:00

Slide 32 - Slide

¡Hasta la próxima clase!

Slide 33 - Slide