Vorbereitung Repetitie Kapitel 3 H/V 1

Repetitie Kapitel 3 
- alle Wörter Kapitel 2 en Kapitel 3  
- Grammatik: zie volgende slide 
- Redemittel 
- Landeskunde 
- Lesetext 
1 / 56
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

This lesson contains 56 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Repetitie Kapitel 3 
- alle Wörter Kapitel 2 en Kapitel 3  
- Grammatik: zie volgende slide 
- Redemittel 
- Landeskunde 
- Lesetext 

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Video

Grammatik
- Fragewörter 
- konjugieren (vervoegen) werkwoorden zwak en sterk 
- voltooide tijd zwakke en sterke werkwoorden
- toepassen Modalverben 
- herkennen en toepassen Subjekt / meewerkend vw / lijdend vw
- herhalen haben/sein 

Slide 3 - Slide

Vorbereitung Repetitie Kapitel 3 H/V 1
https://wordwall.net/de/resource/18598839/modalverben

Slide 4 - Slide

Wat kost de wienerschitzel deze week?
A
€ 4,00
B
€ 6,00
C
€ 8,00

Slide 5 - Quiz

Wo liegt Wien?
A
die Schweiz
B
Österreich
C
Deutschland
D
Liechtenstein

Slide 6 - Quiz

Fragewörter

Slide 7 - Slide

Geslacht zelfstandig naamwoord bepalen
mannelijk (der)
vrouwelijk (die)
onzijdig (das)
meervoud (die)
mannelijke personen
vrouwelijke personen
het-woorden in het Nederlands
mannelijke dieren
vrouwelijke dieren
verkleinwoorden
meeste woorden eindigen op: -e
woorden eindigen op: heit, keit, schaft, ung
woorden eindigen op: 
chen, 

Slide 8 - Slide

Haus
A
der
B
die
C
das

Slide 9 - Quiz

Onkel
A
die
B
der
C
das

Slide 10 - Quiz

Pferd
A
das
B
die
C
der

Slide 11 - Quiz

Wat zijn "Modalverben" of modale werkwoorden ?

                          "Modalverben" zijn hulpwerkwoorden



Slide 12 - Slide

Die Modalverben

Slide 13 - Slide

die modalverben

Slide 14 - Slide

die Tanzgarden dürfen nicht fehlen.
Wat betekent 'dürfen nicht fehlen' ?
A
zijn niet met veel dansers aanwezig.
B
kunnen niet veel.
C
mogen niet ontbreken.
D
kunnen niet dansen

Slide 15 - Quiz

der/ein-Gruppe
Mannelijk (m)
Vrouwelijk (w)
Onzijdig (s)
Meervoud (mz)
1. Fall
Nominativ
Onderwerp
der Mann


ein Mann
die Frau


eine Frau
das Kind


ein Kind
die Kinder


Keine Kinder
3. Fall
Dativ
Meewerkend voorwerp
dem Mann


einem Mann
der Frau


einer Frau
dem Kind


einem Kind
den Kindern


Keinen Kindern
4. Fall
Akkusativ
Lijdend voorwerp
den Mann


einen Mann
die Frau


eine Frau
das Kind


ein Kind
die Kinder


keine Kinder

Slide 16 - Slide

Der - Ein schema
krijgen jullie in de toets erbij!

Jij moet dus met name zinnen begrijpen, kunnen analyseren en de lid- en bezittelijke voornaamwoorden kunnen verbuigen. Dat verbuigen hebben we geoefend in de les en doe je aan de hand van het Der- Ein schema 

Slide 17 - Slide

Een woord in het meervoud krijgt het lidwoord...
A
...die
B
...der
C
...das

Slide 18 - Quiz

Mädchen
A
das
B
die
C
der

Slide 19 - Quiz

leiten

Erich .....die ganze Gruppe!

Slide 20 - Open question

Partizip Perfekt
Das Partizip Perfekt machst du  mit ge- + Verbstamm + t
machen --> ge + mach + t = gemacht

lernen 
hören
spielen
wohnen



Slide 21 - Slide

           Weißt du es jetzt? Was ist das Partizip Perfekt?

  1. hören =
  2. baden=
  3. machen =
  4. antworten =
  5. leben =

             


Slide 22 - Slide

Antworten
1. gehört
2. gebadet
3. gemacht
4. geantwortet
5. gelebt

Slide 23 - Slide

De voltooide tijd:
Sterke werkwoorden

Lijkt oh zo veel op de vervoeging van de Nederlandse sterke ww

Werkwoorden die in het Nederlands sterk zijn, zijn dit in het Duits vaak ook.
helpen - geholpen     = helfen - geholfen                    
doen - gedaan             = tun - getan
slapen - geslapen      = schlafen - geschlafen     
treffen - getroffen      = treffen - getroffen   
verliezen - verloren    = verlieren - verloren
schrijven - geschreven = schreiben - geschrieben



Slide 24 - Slide

en...
schwimmen = geschwommen
schreiben = geschrieben

Slide 25 - Slide

Redemittel 
in de toets geef jij in de Duitse taal, in korte zinnen antwoorden.

Je krijgt een situatie die ik baseer op Redemittel van Kapitel 2 en Kapitel 3

Slide 26 - Slide

Beispiel (voorbeeld) 
Je staat in een winkel en jij ben op zoek naar een rode broek. 

1. Vraag de verkoopster naar deze broek

Guten Tag. Haben Sie vielleicht eine rote Hose?

2. De verkoopster zegt ja. Jij vraagt wat de prijs is.
Was kostet die Hose? 

Slide 27 - Slide

nog een voorbeeld 
Je loopt een Dönerladen binnen en je hebt zin in een Schnitzel. 

1. Vraag of ze een Schnitzel hebben.
Ich will gerne ein Schnitzel. Haben Sie ein Schnitzel?

2. Je wil ook graag wat drinken.
Ich will auch etwas trinken. Hast du eine Cola? 

Slide 28 - Slide

Lize gibt (geeft) mein......Mutter ein.....Rose (v)
A
meinen/ein
B
meiner/eine
C
meiner/einen
D
meine/einen

Slide 29 - Quiz

Hoe begroet je de receptionist in het hostel?
A
Ein Zimmer, sofort!
B
Guten Tag!
C
Sag's mal!
D
Hey, Alter!

Slide 30 - Quiz

Dürfen wir hier rauchen?
vertaal: dürfen
A
durven
B
moeten
C
mogen
D
kunnen

Slide 31 - Quiz

Wat betekent "dürfen"
A
durven
B
mogen
C
houden van
D
lekker vinden

Slide 32 - Quiz

Hij houdt van pizza.
- Vertaal deze zin

Slide 33 - Open question

habe
haben
haben
 hast
 hat
ich
habt
du
er, sie, es
wir
ihr
Sie, sie
habst

Slide 34 - Drag question

Moeten (wil van een ander)
willen (heel sterk, eisen)
mogen (toestemming hebben)
leuk vinden, lusten, aardig vinden, houden van
kunnen
moeten (het kan niet anders, noodzaak)
weten
sollen
mögen
wollen
dürfen
müssen
wissen
können

Slide 35 - Drag question

Ergänze Dativ und Akkusativ:
Er schickt d... Eltern (mv) ein... Karte (v) aus Berlin.

Slide 36 - Open question

Ergänze Dativ und Akkusativ:
Gibst du d... Mädchen d... Adresse (v)?

Slide 37 - Open question

Ergänze Dativ und Akkusativ:
Er bezahlt d... Taxifahrer (m) d... Fahrt (v).

Slide 38 - Open question

voltooide tijd: essen
Was haben Sie...............?

Slide 39 - Open question

voltooide tijd: suchen
Was hast du ...................?

Slide 40 - Open question

voltooide tijd: grillen
Wir haben jeden Tag...............

Slide 41 - Open question

Bepaal de functie van hetgeen (_)
Ich bezahle meiner Freundin fünf Euro.
(meiner Freundin)

Slide 42 - Open question

(Wir) haben eine Frage gestellt

Slide 43 - Open question

(Meine Eltern) sind nicht streng

Slide 44 - Open question

Isst du jeden Tag (eine Banane)?

Slide 45 - Open question

Hier heeft de keizerlijke familie gewoond
(Oostenrijk)
Het is nu een sjiek hotel/restaurant
A
Schloss Schönbrunn
B
tiergarten Schönbrunn
C
Stephansdom
D
Hundertwasserhaus

Slide 46 - Quiz

Von welchem Schloss wurde das Schloss
von Disney inspiriert?
A
Linderhof
B
Vaduz
C
Schönbrunn
D
Neuschwansterin

Slide 47 - Quiz

Wie heißt dieses Gericht?
A
Kaiserschmarrn
B
poffertjes
C
Flammkuchen
D
Apfelstrüdel

Slide 48 - Quiz

Hoe heet de rivier die door Wenen stroomt?
A
De Donau
B
De Rijn
C
De Elbe
D
De Maas

Slide 49 - Quiz

Jemanden verwöhnen
A
iemand verwonden
B
iemand vermoorden
C
iemand vervelen
D
iemand verwennen

Slide 50 - Quiz

verwöhnt
A
verwend
B
verwenst
C
verwaaid

Slide 51 - Quiz

das Salz
A
het zout
B
de suiker
C
zuur

Slide 52 - Quiz

außerdem
Lisa kann tolle Videos machen, außerdem schreibt sie gute Texte.
A
echter
B
bovendien

Slide 53 - Quiz

Außerdem+ die Flasche + der Kühlschrank
A
daarbuiten + de fles + de koelkast
B
daarbuiten + de pan + de kledingkast
C
bovendien + de fles + de koelkast
D
bovendien + de fles + de kledingkast

Slide 54 - Quiz

(de)...Lehrer (m) macht mit (de)...Kindern (een)....Exkursion (v)
A
der/die/den
B
der/den/ein
C
der/die/eine
D
der/den/eine

Slide 55 - Quiz

Herr Schneider schreibt immer mit (een) Bleistift (m)
A
ein
B
einem
C
einer
D
eine

Slide 56 - Quiz