Overhoring woordjes klas 4 periode 2 - 1 t/m 140

Overhoring woordjes periode 2 - 1 t/m 140 
1 / 15
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 15 slides, with interactive quizzes and text slide.

Items in this lesson

Overhoring woordjes periode 2 - 1 t/m 140 

Slide 1 - Slide

Wat betekent EN FEBRERO HACE FRÍO?

A
In februari is het koud
B
In februari vriest het
C
In de fabriek verpakken ze fruit
D
Ik heb liever de blauwe

Slide 2 - Quiz

Wat is de vertaling voor NAAST in het Spaans?
A
enfrente
B
entre
C
al lado
D
delante

Slide 3 - Quiz

Hoe zeg je in het Spaans: Ik ga met de fiets naar school?

Slide 4 - Open question

el coche
el chandál
el avión

Slide 5 - Drag question

Hoe vertaal je in het Nederlands QUIÉN?
A
hoe
B
wat
C
waar
D
wie

Slide 6 - Quiz

Hoe zeg je in het Spaans DAARNA?
A
después
B
bastante
C
también
D
muy

Slide 7 - Quiz

¿Qué te gusta llevar?
Beantwoord deze vraag met een complete zin.

Slide 8 - Open question

Hoe zeg je in het Spaans AUGUSTUS?

Slide 9 - Open question

Wat betekent de zin: ¿Cuánto vale este abrigo? ?

Slide 10 - Open question

Welke vertaling is juist voor BOODSCHAPPEN DOEN?
A
Ir de compras
B
Hacer la compra

Slide 11 - Quiz

Wat betekent: Estoy enfermo?
A
Ik ben ziek
B
Het is open
C
Ik zit in de vierde
D
Ik ben moe

Slide 12 - Quiz

Hoe vertaal je: Waar wil je naartoe?
A
¿Donde vas?
B
¿Adónde te vas?
C
¿Adónde quieres ir?
D
¿Adónde quiere ir?

Slide 13 - Quiz

Vertaal in het Spaans:
Hoeveel kosten deze sneakers?
A
¿Cuánto cuesta este zapatos?
B
¿Cuánto cuesta las zapatillas?
C
¿Que costan estos zapatos?
D
¿Cuánto cuestan estas zapatillas?

Slide 14 - Quiz

Vertaal :
ik ook niet
A
A mí también
B
A mi no
C
A mí más
D
A mí tampoco

Slide 15 - Quiz