Startrekenen tijd

klok

Tijd

1 / 47
next
Slide 1: Slide
RekenenMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 2

This lesson contains 47 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

klok

Tijd

Slide 1 - Slide


Klokkijken

Slide 2 - Slide

1. Analoge klok

Slide 3 - Slide

Hoe zat het ook alweer?
Een analoge klok is een klok met
een grote en een kleine wijzer.

De grote wijzer geeft de minuten aan,
de kleine wijzer geeft de uren aan.

Slide 4 - Slide

Voorbeeld
De grote wijzer wijst naar de 12, de kleine wijzer wijst naar de 2.

Het is hier 2 uur.

Slide 5 - Slide


Hoe laat is het?
A
twaalf uur
B
vier uur

Slide 6 - Quiz

Hoe laat is het?
A
half 7
B
half 6
C
9 uur
D
half 5

Slide 7 - Quiz

Hoe laat is het?
A
kwart voor 10
B
kwart over 10
C
kwart voor 9
D
kwart over 9

Slide 8 - Quiz

Hoe laat is het?
A
9 over 10
B
10 uur
C
half 10
D
2 uur

Slide 9 - Quiz

Uren
Minuten
Seconden
Grote wijzer
Kleine wijzer
Dunne lange wijzer

Slide 10 - Drag question


Hoe laat is het?
A
twaalf uur
B
vier uur

Slide 11 - Quiz

Hoe laat is het?
A
half twaalf
B
half zes
C
zes uur
D
half 7

Slide 12 - Quiz

2. Digitale klok


Slide 13 - Slide


Hoe laat is het?
A
10 voor 11
B
5 over 10
C
10 voor 10
D
50 over 10

Slide 14 - Quiz

Hoe laat is het?
A
5 over 4
B
5 over 2

Slide 15 - Quiz

De foto van deze klok is gemaakt
in de:
A
nacht
B
ochtend
C
middag
D
avond

Slide 16 - Quiz

De foto van deze klok is gemaakt
in de:
A
nacht
B
ochtend
C
middag
D
avond

Slide 17 - Quiz

Slide 18 - Slide

Een jaar

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Slide

Slide 21 - Slide

Eenheden van tijd


• 1 millennium = 1000 jaren
• 1 eeuw = 100 jaren
• 1 jaar = 4 kwartalen
• 1 jaar = 12 maanden
• 1 jaar = 52 weken
• 1 jaar = 365 dagen
• 1 kwartaal = 13 weken
• 1 week = 7 dagen
• 1 dag = 24 uren
• 1 uur = 60 minuten
• 1 minuut = 60 seconden

Slide 22 - Slide

Een maand

Slide 23 - Slide

1
2
3

4
11
5

6

7
8
9
10
12
januari
februari
november
augustus
oktober
juli
juni
mei
maart
april
december

Slide 24 - Drag question

Hoeveel weken heeft een jaar?
A
12
B
52
C
365
D
366

Slide 25 - Quiz

Hoeveel dagen heeft
een schrikkeljaar?
A
12
B
52
C
365
D
366

Slide 26 - Quiz

Uit hoeveel dagen bestaat
de maand mei?
A
28
B
29
C
30
D
31

Slide 27 - Quiz

Slide 28 - Slide

Kwart voor 6 's morgens.
Welke is juist?
A
06:15
B
05:45
C
18:15
D
17:45

Slide 29 - Quiz

2 uur = ....... minuten
A
100
B
60
C
30
D
120

Slide 30 - Quiz

5 minuten = ........ seconden.
A
500
B
300
C
100
D
400

Slide 31 - Quiz

1 jaar = ...... weken
A
365
B
12
C
52
D
366

Slide 32 - Quiz

Hoeveel seconden zitten er in 3 minuten?
A
72
B
120
C
180
D
96

Slide 33 - Quiz


Een eeuw is hoeveel jaar?
Een eeuw

Slide 34 - Open question

Hoeveel dagen zitten er in een jaar?
A
365
B
356
C
366
D
350

Slide 35 - Quiz

Hoeveel maanden zitten er in een kwartaal?
A
2
B
3
C
4
D
6

Slide 36 - Quiz

Hoeveel dagen zitten er in 240 uur?
A
7
B
8
C
9
D
10

Slide 37 - Quiz

Hoeveel minuten en seconden zitten er in 150 seconden?
A
precies 3 minuten
B
3 minuten en 30 seconden
C
2 minuten en 20 seconden
D
2 minuten en 30 seconden

Slide 38 - Quiz

Hoeveel weken zitten er in één jaar?
A
50
B
51
C
52
D
53

Slide 39 - Quiz

Wat is waar?
A
Een eeuw is 100 jaar
B
Een eeuw is 1000 jaar
C
Een millennium is 100 jaar
D
In een schrikkeljaar zitten 365 dagen

Slide 40 - Quiz

Tijdseenheden omrekenen
3,75 uur = 3 uur en 75 minuten.
Dit klopt NIET!
Even narekenen:
Maar hoe moet het dan wel?

Slide 41 - Slide

Tijdseenheden omrekenen
3,75 uur = ... uur en .... minuten
Er zitten 3 uren in:
3,75 uur = 3 uur en ... minuten
Dan is er nog 0,75 uur over om minuten van te maken. 
  • In 1 uur zit 60 minuten, dus in 0,75 uur zit:
  • 0,75 x 60 = 45 minuten 
3,75 - 3 = 0,75

Slide 42 - Slide

Tijdseenheden omrekenen
27, 4 uur = ... dag... uur ... minuten
  • 1 dag (nog 3,4 uur over)
  • 3 uur(nog 0,4 uur over)
  • 24 minuten(0,4 x 60)

Slide 43 - Slide

Hoeveel uur en hoeveel minuten is 6,25 uur?

Slide 44 - Open question

Ik vertrek om 06:35.
Mijn aankomst is 08:25.
Wat is mijn reistijd?
A
2 uur en 10 min
B
1 uur en 50 min
C
1 uur en 10 min
D
2 uur en 50 min

Slide 45 - Quiz

Ik vertrek om 06:35.
Mijn aankomst is 08:25.
Wat is mijn reistijd?
A
2 uur en 10 min
B
1 uur en 50 min
C
1 uur en 10 min
D
2 uur en 50 min

Slide 46 - Quiz

Ik kan goed rekenen met tijd!
2100

Slide 47 - Poll