1. Opsomming (een reeks van dingen)
Signaalwoorden: ten eerste, ten tweede, om te beginnen, bovendien, ook, daarnaast, verder, tenslotte.
2. Tegenstelling (iets tegenover elkaar zetten)
Signaalwoorden: maar, echter, daarentegen, toch, hoewel, integendeel, enerzijds … anderzijds.
3. Reden (waarom iets gebeurt)
Signaalwoorden: omdat, want, immers, namelijk, aangezien.
4. Voorbeeld (een verduidelijking)
Signaalwoorden: bijvoorbeeld, zoals, ter illustratie, zo.
5. Oorzaak-gevolg (een gebeurtenis leidt tot iets anders)
Signaalwoorden: daardoor, waardoor, als gevolg van, zodat, dat komt door, hierdoor.
6. Middel-doel (hoe je iets bereikt)
Signaalwoorden: om te, door middel van, met behulp van, daarmee.
7. Voorwaarde (iets moet eerst gebeuren)
Signaalwoorden: als, indien, mits, tenzij, op voorwaarde dat.
8. Conclusie (een samenvatting of eindgedachte)
Signaalwoorden: dus, concluderend, kortom, daarom, samenvattend.