Communicatie 1 & 2

Communicatie 1 & 2
Herhaling Begrippen communicatiebeleid & communicatiemethoden, -theorie en proces
1 / 25
next
Slide 1: Slide

This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes and text slide.

Items in this lesson

Communicatie 1 & 2
Herhaling Begrippen communicatiebeleid & communicatiemethoden, -theorie en proces

Slide 1 - Slide

Imago is …
A
Een beschrijving van het bedrijf
B
het beeld dat anderen van je hebben
C
een leefregel
D
het beeld dat een bedrijf bij de klant wil bereiken

Slide 2 - Quiz

Wat is het verschil tussen
reputatie en imago?
A
Imago is nu en reputatie zijn eerdere prestaties
B
Imago en reputatie zijn hetzelfde
C
Imago is wat een bedrijf wil uitstralen, reputatie is het beeld dat anderen hebben
D
Reputatie is wat een bedrijf wil uitstralen, imago is het beeld dat anderen hebben

Slide 3 - Quiz

Wat staat er in een missie?

In een missie staat:
A
Wie je bent als bedrijf, wat je doet en wat je wil bereiken. Je missie is tijdloos, maar wel toe te passen op dit moment.
B
Wat je doel is als bedrijf en hoe je dat doel wil bereiken. De missie wordt vastgezet voor 5 jaar.
C
Aangegeven wat voor soort werk er in het bedrijf wordt uitgevoerd en over welke periode deze werkzaamheden worden uitgevoerd.
D
Wat je als bedrijf wil bijdragen aan maatschappelijke thema's zoals duurzaamheid, innovatie en mechanisatie.

Slide 4 - Quiz

Een winkel noemt zichzelf 'duurzaam, exclusief & modieus',
hoe noemen we deze woorden?
A
koopmotieven
B
kernwaarden
C
promotiemiddelen
D
winkelwoorden

Slide 5 - Quiz

Welke identiteitsvorm
geeft de afbeelding weer?
A
monolithisch
B
branded
C
endorsed
D
master

Slide 6 - Quiz

Welke identiteitsvorm
geeft de afbeelding weer?
A
monolitisch
B
branded
C
endorsed
D
master

Slide 7 - Quiz

De identiteit van een bedrijf heet de 'corporate identity'. Deze corporate identity bestaat uit 3 onderdelen die samen de 'corporate identity mix' vormen. Welke 3 onderdelen zijn dit?
A
Gedrag, communicatie, symboliek
B
Gedrag, imago, visie
C
Imago, missie, visie
D
Communicatie, symboliek, missie

Slide 8 - Quiz

Over tech-bedrijven zoals Apple, Google & Tesla wordt vaak gedacht aan innovatie en vooruitgang maar men heeft ook zorgen over gegevens-beveiliging. Over welk soort imago hebben we hier?
A
Productimago
B
Branche-imago
C
Merkimago
D
Gebruikersimago

Slide 9 - Quiz

'Mensen met Crocs zijn suf'. Welke vorm van imago is dit?
A
Merkimago
B
Productimago
C
Gebruikersimago
D
Landimago

Slide 10 - Quiz

Sleep de plaatjes naar de juiste definitie
Waarden     Normen     Rituelen      Helden    Symbolen

Slide 11 - Drag question

Wat voor soort logo is dit?
A
Woordmerk
B
Beeldmerk
C
Combinatie van woord- en beeldmerk
D
Geen van allen

Slide 12 - Quiz

Wat zijn de componenten van huisstijl?
A
Helden, Symbolen, Rituelen
B
Logo, Woordmerk, Kleur en typografie
C
Logo, Woordmerk, Beeldmerk, Kleurgebruik, Typografie
D
Gedrag, Communicatie, Symboliek

Slide 13 - Quiz

Diagonale communicatie
Horizontale communicatie
Parallelle communicatie
Verticale communicatie
Communicatie tussen werknemers van een hiërarchisch gelijk niveau. 
Communicatie tussen werknemers van een hiërarchisch ongelijk niveau binnen dezelfde afdeling.
Communicatie tussen werknemers van een hiërarchisch ongelijk niveau buiten de eigen afdeling.
Communicatie naar alle medewerkers tegelijkertijd. 

Slide 14 - Drag question

Motiverende informatie
Taakinformatie
Beleidsinformatie
HR informatie
Informatie die een medewerker nodig heeft voor het juist uitvoeren van taken.
Informatie die strategisch van aard is en draait om de aanpak en handelswijze van het bedrijf.
Informatie over de personeelsleden en mogelijkheden van de medewerkers (cursussen, kwalificaties etc).
Informatie die dient om medewerkers gemotiveerd te houden zoals bonussen en onderliggende rankings

Slide 15 - Drag question

Zet de juiste term op de juiste plek
Feedback
Ontvanger
Decoderen
Boodschap
Coderen
Medium
Terugkoppeling

Slide 16 - Drag question

Voorbeeld(en) van interne ruis?
A
Piekeren
B
Paniek
C
Rinkelende telefoon
D
Brandweersirene

Slide 17 - Quiz

Communicatie tussen minimaal 2 personen
Communicatie van een persoon met zichzelf.
Communicatie naar een groot en hetrogeen publiek
Communicatie over het verloop van de communicatie

De communicatie binnen een bedrijf
intrapersoonlijke communicatie
Meta communicatie
Massacommunicatie
Interpersoonlijke communicatie
Interne communicatie

Slide 18 - Drag question

Communicatie waarbij de ontvanger direct kan reageren op de boodschap van de zender. Bijvoorbeeld een telefoon- of chatgesprek
A
Verbale communicatie
B
Niet-intentionele communicatie
C
Non verbale communicatie
D
Interactive communicatie

Slide 19 - Quiz

Communicatie die je onbewust inzet; zonder opzet. Zoals het blozen als je nerveus bent
A
Intentionele communicatie
B
Niet-intentionele communicatie
C
Non-verbale communicatie
D
Interactieve communicatie

Slide 20 - Quiz

Communicatie door middel van woorden, zowel gesproken als geschreven
A
Interactieve communicatie
B
Non-verbale communicatie
C
Intentionele communicatie
D
Verbale communicatie

Slide 21 - Quiz

A

I

D

A
Grijp de aandacht
Wek interesse op
Creëer behoefte
Zet aan tot actie

Slide 22 - Drag question

Wat betekent de 'A' in het AIDA-model?
A
Awareness
B
Attention
C
Attraction
D
Action

Slide 23 - Quiz


De volgorde in de Customer Journey is?
A
Overweging, Aankoop, Loyalty, Service, Bewustzijn
B
Bewustzijn, Overweging, Loyalty, Aankoop, Service, Loyalty
C
Bewustzijn, Overweging, Aankoop, Retentie, Ambassadeurschap
D
Overweging, Bewustzijn, Aankoop, Service, Loyalty

Slide 24 - Quiz

  Zet de fasen van de customer journey in de juiste volgorde (NL & EN)
Advocacy
Awareness
Retention
Purchase
Consideration
Loyaliteit
Service
Bewustwording
Overweging
Aankoop

Slide 25 - Drag question