L: Ik kan de vergelijkende trappen in een zin gebruiken
s1: más/menos + bijvoeglijk nw. + que
s2: tan + bijv.nw + como
s3: el/la + más/menos + bijv.nw (of mejor/peor)
L: Ik kan uitleggen hoe je voornaamwoorden (wederkerig, lijdend en meewerkend) in een zin gebruikt
s1: me,te,se,nos,os,se of me,te,le,nos,os,les
s2: vervoeging van het werkwoord