organen, cellen en stevigheid herhaling voor de toets

Organen en cellen
Bronnen:
Malmberg methode Biologie en verzorging voor jou
Biologiepagina.nl
Bioplek.org
Biologieweb.nl
e.a. 
1 / 53
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolvmboLeerjaar 1

This lesson contains 53 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Organen en cellen
Bronnen:
Malmberg methode Biologie en verzorging voor jou
Biologiepagina.nl
Bioplek.org
Biologieweb.nl
e.a. 

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Organen bestaan uit cellen. 
De cellen zijn de bouwstenen van je organen.

Door een microscoop kun je cellen bekijken. Ze lijken plat maar dat zijn ze in werkelijkheid niet. Er zijn verschillenden vormen, het lijken net zakjes die gevuld zijn met water. 
rode bloedcel
Vorm: rond
Kan makkelijk door bloedvat
zenuwcel
Vorm: met lange uitlopers
Kan makkelijk contact maken met verschillende cellen
Soorten cellen
Botcel
Spiercel

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Verschillen tussen plantencellen en cellen van dieren.
Alle cellen hebben een celmembraam, een celkern en cytoplasma. 
Bladgroenkorrels, celwand en grote vacuolen komen alleen voor in plantencellen.

dierlijke cel
plantencel

Slide 3 - Slide

This item has no instructions


Welke is de plantencel?
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 4 - Quiz

This item has no instructions

Een cel van een ui is een voorbeeld van een plantaardige cel
A
Juist
B
Onjuist

Slide 5 - Quiz

This item has no instructions

Wat is het voornaamste verschil tussen plantaardige en dierlijke cellen?
A
Plantaardige cellen hebben wel een celwand en dierlijke cellen niet
B
Dierlijke cellen hebben wel vacuoles en plantaardige cellen niet
C
Dierlijke cellen hebben wel bladgroenkorrels en plantaardige cellen niet
D
Plantaardige cellen hebben geen celkern en dierlijke cellen wel

Slide 6 - Quiz

This item has no instructions

In deze tekening zijn verschillende cellen te zien.
Stelling 1. elk van deze cellen bevat evenveel chromosomen
Stelling 2: elke van deze cellen bevat evenveel genen

A
beide stellingen zijn juist
B
alleen stelling 1 is juist
C
alleen stelling 2 is juist
D
beide stellingen zijn onjuist

Slide 7 - Quiz

This item has no instructions

Zie afbeelding:

Welke onderdelen van deze plantaardige cel komen ook bij dierlijke cellen voor? ......
A
1, 2 en 5.
B
1, 4 en 5.
C
2, 3 en 6.
D
2, 5 en 6.

Slide 8 - Quiz

This item has no instructions

Wat is een weefsel?
A
Een groep cellen met verschillende functie’s
B
Een groep organen met dezelfde functie
C
Een groep cellen met dezelfde functie
D
Een groep organen met verschillende functie’s

Slide 9 - Quiz

This item has no instructions

Wat voor weefsel is dit?
A
kraakbeenweefsel
B
huidweefsel
C
botweefsel
D
spierweefsel

Slide 10 - Quiz

This item has no instructions

Welk weefsel zie je hier?
A
Bot weefsel
B
Kraakbeenweefsel

Slide 11 - Quiz

This item has no instructions

Organenstelsels
Bloedvatenstelsel

Bottenstelsel

Zenuwstelsel

functie
Vervoeren van bloed door het lichaam
functie
Vorm en stevigheid voor het lichaam.
Bescherming en aanhechting van pezen.

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

wat is een organenstelsel
A
alle organen die werken
B
alle organen die bezig zijn met leven
C
alle levende organen
D
alle organen die samenwerken aan 1 taak

Slide 13 - Quiz

This item has no instructions

Bij welk organenstelsel hoort dit orgaan?
A
Bloedvatenstelsel
B
Zenuwstelsel
C
Beenderstelsel
D
Spierstelsel

Slide 14 - Quiz

This item has no instructions


Tot welk organenstelsel behoort dit orgaan?
A
Tot het beenderstelsel.
B
Tot het bloedvatenstelsel.
C
Tot het verteringsstelsel.
D
Tot het zenuwstelsel.

Slide 15 - Quiz

This item has no instructions

Vormen de spieren van je lichaam samen een orgaan, een organenstelsel of een weefsel?
A
Een orgaan.
B
Een organenstelsel.
C
Een weefsel.

Slide 16 - Quiz

This item has no instructions


De dunne- en dikke darm, de maag en de lever werken samen in het:
A
bottenstelsel
B
zenuwstelsel
C
spierstelsel
D
verteringsstelsel

Slide 17 - Quiz

This item has no instructions

Zet de onderdelen van groot naar klein
 1 is het grootste en 4 is het kleinste.
1
2
3
4
weefsels
organen
orgaanstelsels
cellen

Slide 18 - Drag question

This item has no instructions

Torso
Organen leren met de torso

Slide 19 - Slide

This item has no instructions

TORSO

Slide 20 - Slide

This item has no instructions


nummer 2?
A
Long
B
Hart
C
Nier
D
Maag

Slide 21 - Quiz

This item has no instructions


nummer 5?
A
Long
B
Hart
C
Nier
D
Maag

Slide 22 - Quiz

This item has no instructions


nummer 10?
A
Long
B
Hart
C
Nier
D
Maag

Slide 23 - Quiz

This item has no instructions


nummer 6?
A
Long
B
Dikke darm
C
Nier
D
Maag

Slide 24 - Quiz

This item has no instructions

Soorten gewrichten
Er zijn twee soorten gewrichten.
  1. Kogelgewricht
  2. Scharniergewricht

Slide 25 - Slide

This item has no instructions

Gewricht:
Gewricht:
Elk gewricht bestaat uit 6 onderdelen.
  1. Gewrichtskapsel
  2. Gewrichtskogel
  3. Gewrichtskom
  4. Gewrichtssmeer
  5. Kraakbeenlaagje
  6. Kapselband

Slide 26 - Slide

This item has no instructions

Wat is de volgorde van de bouw van een spier
A
Spierbundel-spiervezel-spiercellen
B
Spiervezel-spiercellen-spierbundel
C
Spiercellen-spiervezel-spierbundel

Slide 27 - Quiz

This item has no instructions

Wat zit er om een gewricht heen om het gewricht op zijn plek te houden?
A
Gewrichtssmeer
B
Gewrichtskogel
C
gewrichtskapsel
D
kraakbeenlaagje

Slide 28 - Quiz

This item has no instructions

Welk onderdeel van een gewricht maakt gewrichtssmeer?
A
kraakbeenlaagje
B
gewrichtskapsel

Slide 29 - Quiz

This item has no instructions

Wat is de functie van de kapselbanden?
A
soepel bewegen van het gewricht
B
Is de binnenste band en houdt de 2 botten bij elkaar
C
Is de buitenste band, voor nog meer extra stevigheid van het gewricht
D
Beschermt de botten

Slide 30 - Quiz

This item has no instructions


In de afbeelding hiernaast is een doorsnede van een gewricht te zien. Een aantal onderdelen is aangegeven met cijfers.
Welk onderdeel van het gewricht maakt gewrichtssmeer?
A
onderdeel 2
B
onderdeel 4
C
onderdeel 5
D
onderdeel 6

Slide 31 - Quiz

This item has no instructions

Wat voor gewricht is dit?
A
Scharniergewricht
B
Kogelgewricht
C
Rolgewricht

Slide 32 - Quiz

This item has no instructions

Wat voor gewricht is dit?
A
Kogelgewricht
B
Rolgewricht
C
Scharniergewricht
D
Geen van allen

Slide 33 - Quiz

This item has no instructions

 spierbevestiging en spierbewegingen 

Slide 34 - Slide

This item has no instructions

Spieren bewegen maar naar één kant
Elke spier heeft een tegenovergestelde spier.
Antagonistisch paar (buig & strekspier)

Slide 35 - Slide

This item has no instructions

Welk onderdeel geeft stevigheid aan de spier?
A
Pees
B
Spierschede
C
Spiervezel
D
Verpakking

Slide 36 - Quiz

This item has no instructions

Met welk onderdeel zit een spier vast aan een bot?
A
spierbundel
B
pees
C
spiervezel

Slide 37 - Quiz

This item has no instructions

Wat is een antagonist?
A
een spier met een tegengestelde werking
B
een spier met dezelfde werking
C
allemaal pezen bij elkaar
D
Een moeilijk woord

Slide 38 - Quiz

This item has no instructions

Blessures


10.5 Botverbindingen en
10.6 blessures

Slide 39 - Slide

<a href="https://www.freepik.com/free-photo/asian-woman-sitting-steps-street-holding-friend-s-ankle_5698287.htm#fromView=search&page=1&position=27&uuid=8857afc8-c561-436e-962a-426264790f58">Image by pressfoto on Freepik</a>
Soorten blessures
 
1: bot blessures
2: gewrichtsblessures
3: spierblessure

Slide 40 - Slide

This item has no instructions

Wat is geen spierblessure?
A
Kramp
B
Spierpijn
C
Verstuiking
D
Kneuzing

Slide 41 - Quiz

This item has no instructions


Wie heeft sneller een botbreuk?
A
baby
B
puber
C
bejaarde
D
kleuter

Slide 42 - Quiz

This item has no instructions

Een kneuzing is een blessure aan je..........
A
botten
B
spieren
C
gewrichten

Slide 43 - Quiz

This item has no instructions

Bij welke spierblessure trekt een spier plotseling samen?
A
Spierkramp
B
Spierpijn
C
Spierscheuring

Slide 44 - Quiz

This item has no instructions


Een van de veelvoorkomende blessures aan je botten zijn botbreuken. Je ziet hier een botbreuk bij een wielrenner. Welk bot is hier gebroken?
A
Opperarmbeen
B
Sleutelbeen
C
Schouderblad
D
Rib

Slide 45 - Quiz

This item has no instructions

kenmerk voor een kneuzing is
A
een blauwe plek
B
een gescheurde spier
C
een gescheurde pees

Slide 46 - Quiz

This item has no instructions

Slide 47 - Slide

This item has no instructions

Een kameel heeft in de eicel 36 chromosomen. Hoeveel chromosomen heeft zij in een beencel?
A
36
B
46
C
21
D
72

Slide 48 - Quiz

This item has no instructions

Welke cellen hebben geen paren chromosomen maar enkele chromosomen in de celkern?
A
Geslachtscellen
B
Lichaamscellen
C
Hersencellen
D
Hypofyse cellen

Slide 49 - Quiz

This item has no instructions

Een laborant onderzoekt de chromosomen die afkomstig zijn van een mens. In de afbeelding zie je de chromosomen.

Kunnen de afgebeelde chromosomen afkomstig zijn uit een eicel?
A
Ja
B
Nee

Slide 50 - Quiz

This item has no instructions

Een hond heeft 78 chromosomen in zijn lichaamscel. Hoeveel chromosomen heeft zijn geslachtscel?
A
78
B
39
C
34
D
0

Slide 51 - Quiz

This item has no instructions

een lichaamscel heeft ... chromosomen; een geslachtscel heeft ... chromosomen
A
lichaamscel: 23 enkele geslachtscel: 23 paren
B
lichaamscel: 23 paar geslachtscel: 23 enkele
C
lichaamscel: 23 paren geslachtscel: 23 paren
D
lichaamscel: 23 enkele geslachtscel: 23 enkele

Slide 52 - Quiz

This item has no instructions

Wat is het verschil tussen mitose en meiose?
A
Bij mitose worden geslachtscellen gemaakt
B
Bij meiose worden geslachtscellen gemaakt

Slide 53 - Quiz

This item has no instructions