hv2p 30/11

Welkom hv2p!
Telefoon in de telefoontas? Ga lekker zitten en pak je spullen.

Wat heb je nodig?
  • telefoon, op z'n kop op de hoek van je tafel!
  • een pen


1 / 25
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 120 min

Items in this lesson

Welkom hv2p!
Telefoon in de telefoontas? Ga lekker zitten en pak je spullen.

Wat heb je nodig?
  • telefoon, op z'n kop op de hoek van je tafel!
  • een pen


Slide 1 - Slide

Wat gaan we deze les doen?
  • Theorie doornemen, extra uitleg
  • Even rust
  • Tijd voor het so 

Slide 2 - Slide

Even opfrissen

  • vraagproef
  • tijdproef
  • getalproef

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

Een peuter..
mama
eendje
papa   
hond
buurman
Peppa
doet

is
blaffen
lief
kwaken
slim
schoonmaken
schattig

Slide 5 - Slide

Naamwoordelijk gezegde
  • Het werkwoordelijk gezegde (wg) van een zin zegt wat iemand of iets (het onderwerp) doet.
VB: Hij / loopt / elke dag / naar school.
wg = loopt

  • Een naamwoordelijk gezegde (ng) zegt wat iemand of iets is (of wordt of blijft). 
VB: Matthias / wordt / later / zeer waarschijnlijk / wiskundeleraar. 
ng = wordt [wiskundeleraar] 




Slide 6 - Slide

Naamwoordelijk gezegde
Het naamwoordelijk gezegde bestaat uit een werkwoordelijk deel en een naamwoordelijk deel:

  • Het werkwoordelijk deel bevat alle werkwoorden uit de zin. Een van die werkwoorden is een koppelwerkwoord (kww): zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen. 

  • Het naamwoordelijk deel bevat een bijvoeglijk of zelfstandig naamwoord dat een eigenschap (wiskundeleraar) van het onderwerp (Matthias) geeft. Het koppelwerkwoord (wordt) koppelt de eigenschap aan het onderwerp.





Slide 7 - Slide

Slide 8 - Slide

zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen (heten, dunken en voorkomen)



Slide 9 - Slide


Naamwoordelijk gezegde

In zinnen met een naamwoordelijk gezegde zit nooit een lijdend voorwerp!

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Video

Wat houdt het werkwoordelijk gezegde in?
A
persoonsvorm
B
persoonsvorm + onderwerp
C
persoonsvorm + voltooid deelwoord
D
alle werkwoorden uit de zin

Slide 12 - Quiz

Wat houdt het naamwoordelijk gezegde in?
A
koppelwerkwoord + naamwoordelijk deel
B
koppelwerkwoord
C
koppelwerkwoord + een kernmerk of eigenschap van het onderwerp
D
alle werkwoorden in de zin

Slide 13 - Quiz

Een naamwoordelijk gezegde bevat altijd een koppelwerkwoord
A
juist
B
onjuist

Slide 14 - Quiz

Welk van de onderstaande woorden is geen koppelwerkwoord.
A
zijn
B
blijken
C
kijken
D
schijnen

Slide 15 - Quiz

Een naamwoordelijk gezegde heeft altijd een lijdend voorwerp.
Juist of onjuist?
A
Juist
B
Onjuist

Slide 16 - Quiz

Mijn vriend wordt leraar op een basisschool.

A
werkwoordelijk gezegde
B
naamwoordelijk gezegde

Slide 17 - Quiz

Mijn zus is vervelend geweest.
A
werkwoordelijk gezegde
B
naamwoordelijk gezegde

Slide 18 - Quiz

Het meisje werd naar school gebracht.
A
werkwoordelijk gezegde
B
naamwoordelijk gezegde

Slide 19 - Quiz

Het gebouw wordt afgebroken.
A
werkwoordelijk gezegde
B
naamwoordelijk gezegde

Slide 20 - Quiz

De baby is groot geworden.
A
werkwoordelijk gezegde
B
naamwoordelijk gezegde

Slide 21 - Quiz

Je weet 't. Ga even plassen, drink wat water. 
Niet rennen en zorg dat je op tijd weer terug bent. 
timer
10:00

Slide 22 - Slide

Welkom!

Telefoon in de telefoontas?
Ga lekker zitten. 

We maken het so
Belangrijk:
  • Lees de vragen goed
  • Tijdens de toets beantwoord ik geen inhoudelijke vragen
  • Je mag niet naar de wc
  • Spieken bij je buur = een 1
  • Klaar? Leg het so op de hoek van je tafel 
  • én ga lezen in je leesboek
timer
22:00

Slide 23 - Slide


We lezen: 

Wild 


Slide 24 - Slide

Huiswerk?
We gaan verder met grammatica woordsoorten.
Je maakt De Brug: Grammatica - woordsoorten, tot en met opdracht 5 in de online methode.
Lees vooraf de theorie goed door. 

Slide 25 - Slide