Kies: daarna-goedkoop-kassa-mee-pak-pinnen
1. De komkommers zijn _______________: twee voor 1 euro.
2. Ik ga nu naar school. Ik ga _____________________naar de supermarkt.
3. Arnold betaalt de aardappels. Hij wil graag______________.
4. Henri loopt naar de _______________. Hij betaalt de boodschappen.
5. Marit koopt een ____________melk.
6. Het kind gaat met de moeder________________. Ze gaan naar huis.