woordsoorten BN en VZ

woordsoorten BN en VZ
1 / 10
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

This lesson contains 10 slides, with text slides.

Items in this lesson

woordsoorten BN en VZ

Slide 1 - Slide

Lesprogramma
- Welkom (5 min)
- Lezen in je leesboek (15 min)
- Huiswerk en terugblik (10 min)
- Uitleg: grammatica woordsoorten (5 min)
- Zelfstandig werken (25 min)
- Afsluiting

Slide 2 - Slide

Lees in je leesboek

Slide 3 - Slide

Huiswerk en terugblik
Fictie 2.1 opdracht 8 en 9

Woordsoorten: WW, LW en ZN

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Voorzetsel
Een woord is een voorzetsel (vz) als je het kunt plaatsen vóór de kast of vóór de vakantie:
onder, boven, naast, in, tegen, op, aan de kast
in, tijdens, vanwege, gedurende de vakantie
Je vindt een voorzetsel:
• aan het begin van een zinsdeel:
Nazrin | springt | in de gymzaal | over het paard.
• aan het begin van een deel van een zinsdeel:
Op het dak van het huis | lagen | honderd zonnepanelen.

Filmpje

Slide 6 - Slide

De delicate bloemen in de tuin verspreidden een heerlijke geur door de lucht.

Slide 7 - Slide

Zijn oprechte glimlach zorgde voor een warme en vriendelijke sfeer.

Slide 8 - Slide

De foto ligt verborgen onder de grote stapel die op de tafel liggen.

Slide 9 - Slide

Zelfstandig werken
Maak van Grammatica woordsoorten H2 opdracht 4, 5, 6, 9, 10, 11 en 12. (blz. 120)


Slide 10 - Slide