clase 24 - 3H - miércoles 2 de abril 2025

Clase 24 - H3 - miércoles 2 de abril 2025
1 / 22
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 22 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 80 min

Items in this lesson

Clase 24 - H3 - miércoles 2 de abril 2025

Slide 1 - Slide

Ejercicio 17 - WB blz. 64 =HW
Hoe ziet jouw dag(indeling) eruit?


ducharse
comer en el colegio
ir al colegio
hacer los deberes
vestirse
(e --> i)
cenar
volver a casa (o --> ue)
acostarse
(o --> ue)
levantarse
desayunar

Slide 2 - Slide

¿Qué hacemos hoy? (Wat doen we vandaag?)

  • We bespreking ejercicio 17 na (eigen dagindeling) - 20m
  • Uitleg bron J: trappen van vergelijking - 15m
  • Korte break (5m)
  • Werken aan oefeningen over bron J - 20m
  • Blooket werkwoorden hoofdstuk 5 - 20m

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

Bron J - TB blz. 53

Slide 5 - Slide

Hoe was het ook alweer?
  • Bijvoeglijke naamwoorden in het Spaans komen áchter het zelfstandig naamwoord

Slide 6 - Slide

Hoe was het ook alweer?
  • Bijvoeglijke naamwoorden in het Spaans komen áchter het zelfstandig naamwoord

Slide 7 - Slide

Bron J - TB blz. 53

Slide 8 - Slide

Bron J - TB blz. 53

Slide 9 - Slide

Meer of minder dan, evenveel als...
más           + bijv. nmw.     + que           --> bijvoeglijke naamwoorden
menos      + bijv. nmw.    + que
tan              + bijv. nmw.    + como
Holanda es más pequeña que España: Nederland is kleiner dan Spanje. (‘meer klein’)
Mi casa es menos moderna que la tuya: Mijn huis is minder modern dan dat van jou.
Maria no es tan alta como su hermana: Maria is niet even lang als haar zus.


Slide 10 - Slide

Trappen van vergelijking

Slide 11 - Slide

Wat betekenen deze zinnen?
1. Mi hermano vive más lejos que yo.
2. Mi jefe (=baas) habla más lenguas (=talen) que yo. Habla inglés, francés y un poco de español.
3. El Euromast es  menos alto que la torre Eiffel.

Slide 12 - Slide

Voorbeelden
más
más
menos
tan
como
que
que

Slide 13 - Slide

Vergelijken
  1. Lucas es ... joven (jonger) ... Carlos
  2. Valentina trabaja ... horas ... Carlos
  3. Carlos gana (verdient) ... dinero ... Valentina

Slide 14 - Slide

Vergelijken
  1. Lucas es más joven (jonger) que Carlos
  2. Valentina trabaja menos horas que Carlos
  3. Carlos gana (verdient) más dinero que Valentina

Slide 15 - Slide

Slide 16 - Slide

Ejercicios 27a/b/c
  • Bij 27a onderstreep je de vergelijking
  • Bij 27b vertaal je de in 27a onderstreepte vergelijking
  • Bij 27c maak je juiste Spaanse zinnen + je maakt de Nederlandse vertaling bij deze zinnen 
timer
15:00
Gebruik bron J - TB blz. 53 + de woordenlijst bij deze opdracht

Slide 17 - Slide

Respuestas 27a/27b
1. más joven que
jonger dan
2. menos estrictos que
minder streng dan
3. tan pesado como
even vervelend als
4. menos caro que
minder duur dan
5. mejor que
beter dan 

Slide 18 - Slide

Respuestas 27c
1. Mi hermana es tan caótica como yo.
2. Mis padres son más estrictos que los padres de José. 
3. Fernando es menos amable que Isabel.
4. Juan es más alto que Fátima.
5. (Yo) soy tan inteligente como mi amigo. 

Slide 19 - Slide

Woordenschat oefenen
play.blooket.com/play
Belangrijke werkwoorden H5

Slide 20 - Slide

Los deberes

  • L: bron J (TB blz. 53) --> De trappen van vergelijking

Slide 21 - Slide

Slide 22 - Slide