Les 2 taalgebruik + bouwplan

Pak je leesboek en ga lekker lezen!
1 / 17
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolmavo, havoLeerjaar 2

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Pak je leesboek en ga lekker lezen!

Slide 1 - Slide

Vandaag ...
  • Startopdracht
  • Uitleg taalgebruik
  • Uitleg zakelijke e-mail
  • Uitleg bouwplan
Doel van de les: Je kunt het verschil tussen formeel en informeel taalgebruik herkennen en je weet hoe je een bouwplan moet invullen.

Slide 2 - Slide

Startopdracht
  • Werk in tweetallen.
  • Er komen zo een paar situaties op het bord.
  • Bedenk samen hoe je in deze situatie zou praten of schrijven.
  • Pak hierna het volgende strookje. 

Een aantal tweetallen presenteert daarna een situatie voor de klas.
timer
3:00

Slide 3 - Slide

Situaties
  • Je spreekt een docent buiten school op straat.
  • Je mailt een bedrijf over een stageplek.
  • Je vraagt een onbekende persoon op straat om hulp.
  • Je chat met een klant via WhatsApp namens een bedrijf.

Wat zou jij doen?

Slide 4 - Slide

Wat is 'taalgebruik'?

Slide 5 - Mind map

Taalgebruik 
  • Formeel taalgebruik: taal die je in officiële situaties gebruikt.
  • Informeel taalgebruik: taal die je tegen bekenden gebruikt.

Slide 6 - Slide

Maken
Maak opdracht 1 en 2 op bladzijde 4 van je boekje.

Slide 7 - Slide

Nabespreken
Opdracht 1:
1.    Wat is de aanleiding voor Ramses’ e-mail?
Schoolopdracht bij Nederlands waarvoor hij een held moet interviewen.

2.    In het middenstuk stelt Ramses drie vragen. Noteer ze alle drie.
Mag ik u een keer interviewen?
Mag ik ook een foto van u maken?
En (mag ik) het interview opnemen?


3.    Welke hoop spreekt Ramses uit in het slot?
Ramses spreekt de hoop uit dat hij snel een antwoord van André Kuipers krijgt.

Slide 8 - Slide

Nabespreken
Opdracht 2
1.    Leg uit waarom de onderwerpregel van tekst 2 beter is dan die van tekst 1.
De onderwerpregel van tekst 2 is korter.
2.    Leg uit waarom de aanhef in tekst 2 beter is dan die van tekst 1.
De aanhef van tekst 2 is beleefder.
3.    Leg uit waarom de groet in tekst 2 beter is dan die van tekst 1.
De groet in tekst 2 is formeler.
4.    Waarom is tekst 2 iets langer dan tekst 1?
Tekst 2 is iets langer, omdat er een witregels zit tussen de verschillende onderdelen van de e-mail.
5.    Welke tekst ziet er overzichtelijker uit? Leg je antwoord uit.
Tekst 2 ziet er overzichtelijker uit door de witregels.

Slide 9 - Slide

Je weet nu:
  • Hoe een tekst is opgebouwd:
- Inleiding
- middenstuk (deelonderwerpen)
- slot
  • Hoe je een inleiding en een slot moet schrijven.
  • Wat het verschil is tussen formeel en informeel taalgebruik.
Je gaat nu leren:
- Wat een zakelijke e-mail is
- Hoe je bouwplan maakt

Slide 10 - Slide

Zakelijke e-mail
Een zakelijke e-mail stuur je naar bedrijven of personen die je meestal niet kent.

In een zakelijke e-mail gebruik je formele taal.

Slide 11 - Slide

In welke situaties schrijf
je een zakelijke e-mail?

Slide 12 - Mind map

Zakelijke e-mail
Hoe schrijf je een zakelijke e-mail?
Inhoud
  • In de aanleiding schrijf wie je bent en waarom je de e-mail schrijft. Dat noem je de aanleiding voor de mail.
  • In het middenstuk geef je aan welke informatie je wilt hebben of stel je je vragen. 
  • In het slot spreek je een wens of verwachting uit, bijv. 'Ik hoop snel een antwoord van u te krijgen.'

Slide 13 - Slide

Zakelijke e-mail
Vorm
  • Vul altijd de onderwerpregel in. Noteer kort en duidelijk waar de e-mail over gaat. 
  • Begin met een beleefde aanhef (Beste mevrouw De Hoog)
  • Spreek de ander aan met 'u' en gebruik formele taal.
  • Gebruik witregels tussen alle onderdelen van de e-mail. 
  • Controleer je e-mail op taal- en spelfouten. 
  • Sluit af met 'Met vriendelijke groet'
  • Vermeld onderaan je volledige naam. 

Slide 14 - Slide

Bouwplan
Pak bladzijde 4 van je boekje erbij: 
- Je vindt hier een bouwplan;
- Een aantal gegevens zijn al ingevuld.

Slide 15 - Slide

Schrijven (stappenplan blz.271)
Stap 1: Bedenk waar je tekst over gaat
Stap 2: Schrijf het onderwerp op*
Stap 3: Schrijf het tekstdoel op* (activeren, amuseren, informeren, instrueren, overtuigen)
Stap 4: Bij inleiding noem je het onderwerp. Bedenk hoe je je tekst (leuk) gaat beginnen
Stap 5: Bij middenstuk schrijf je de deelonderwerpen. Schrijf kort wat je gaat vertellen
Stap 6: Slot (herhalen, conclusie of toekomstverwachting)

*Deze gegevens zijn al ingevuld

Slide 16 - Slide

Aan de slag
Lees de opdracht van les 3 'zwerfafval' 

Je gaat nu het bouwplan invullen. Een aantal gegevens zijn al ingevuld. Gebruik de opdracht.

De volgende les ga je schrijven.


Slide 17 - Slide