Cursus 5 woordsoorten-§4- Aanwijzend en vragend voornaamwoord

timer
10:00
Tien minuten stil lezen. Leg alleen je boek op tafel.
Planning van vandaag:
Kleine terugblik met vragen.
Eventueel huiswerk bespreken.
Uitleg Grammatica woordsoorten 'Aanwijzend en vragend voornaamwoord'.
Klassikaal leerdoel check.

Aan het werk.
 

Wat gaan we doen vandaag?
1 / 33
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 33 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 80 min

Items in this lesson

timer
10:00
Tien minuten stil lezen. Leg alleen je boek op tafel.
Planning van vandaag:
Kleine terugblik met vragen.
Eventueel huiswerk bespreken.
Uitleg Grammatica woordsoorten 'Aanwijzend en vragend voornaamwoord'.
Klassikaal leerdoel check.

Aan het werk.
 

Wat gaan we doen vandaag?

Slide 1 - Slide

timer
10:00
Lezen 10 minuten
ALGEMENE VRAGEN – Opbouw
  • Hoe vind je de opbouw van het verhaal?
  • Zitten er herhalingen in het verhaal? Welke zijn dat?
  • Wordt het verhaal verteld in de volgorde van de gebeurtenissen?
  • Zitten er ook herinneringen in het verhaal?
  • Wordt er in het verhaal wel eens vooruit gekeken?
  • Zitten er meer verhalen of verhaaltjes in dit verhaal                                                                                                                                                                                                                                                                                                       Aidan Chambers

Slide 2 - Slide

Planning derde periode:

Fictie (boek lezen)
Eigen keuze boek
Vragen van Aidan Chambers

Cursus 5 Grammatica (ws)
§2, 4, 6, 8, 10, 12 en 14 

Cursus 1 Meer dan lezen
§1 -7
Toetsen derde periode:

Fictie (boek lezen)
Podcast Inleverdatum 26 mei
Vragen van Aidan Chambers

Cursus 5 Grammatica (ws)
10 mei (2x)

Cursus 1 Meer dan lezen
Toetsweek 16 juni (3x)


Slide 3 - Slide

Je leert: aanwijzende en vragende voornaamwoorden herkennen
Je hebt afgerond:                                                                          §2 herhaling jaar 1 (online)
olw = onbepaald lidwoord: een
blw = bepaald lidwoord: de/het
znw = zelfstandig naamwoord: mensen, dieren, dingen, aardrijkskundige namen, eigen namen
bn = bijvoeglijk naamwoord, zegt iets over een zn
st.bn = stoffelijk bijvoeglijk naamwoord
pers. vnw = persoonlijk voornaamwoord : zij, hij, ze, het (regent)
bez.vnw = bezittelijk voornaamwoord : mijn, jouw, jullie, ons
bw = bijwoord: daar, hier/dan, toen, morgen, gisteren. Bw zegt iets over: bijv.nw, ww, een ander bijwoord of een hele zin.
vz = voorzetsel: in, op, tijdens, gedurende

Slide 4 - Slide

Tien minuten stil lezen. Leg alleen je boek op tafel.
Planning van vandaag:
Terugblik met vragen.
Eventueel huiswerk bespreken.
Uitleg Grammatica woordsoorten 'Aanwijzend en vragend voornaamwoord'.
Klassikaal leerdoel check.

Aan het werk.
 

Wat gaan we doen vandaag?

Slide 5 - Slide

Hoeveel lidwoorden staan er in deze zin:

De vader en het kind zitten in een vliegtuig.
A
0
B
1
C
2
D
3

Slide 6 - Quiz


Het Nederlandse volk gaat steeds vaker op vakantie in België.
Het =
A
blw
B
olw
C
pers.vnw
D
onbep.vnw

Slide 7 - Quiz

Hoeveel zelfstandige naamwoorden staan er in deze zin:

Een zelfstandig naamwoord verwijst naar een mens, dier, plant, begrip of eigennaam.
A
2
B
4
C
5
D
6

Slide 8 - Quiz


Kies de juiste woordsoort.
Je moet ook nooit Coca Cola drinken bij de computer.
A
Zelfstandig naamwoord (zn)
B
Voorzetsel (vz)
C
Bijvoeglijk naamwoord (bn)
D
Zelfstandig werkwoord (zww)

Slide 9 - Quiz

Het mooie meisje, dat daar staat, is heel timide.
"timide" =
A
aanwijzend voornaamwoord
B
bijvoeglijk naamwoord
C
bijwoord
D
bezittelijk voornaamwoord

Slide 10 - Quiz

Vandaag zijn we naar de zee gegaan
"we" =
A
bezittelijk voornaamwoord
B
persoonlijk voornaamwoord
C
aanwijzend voornaamwoord
D
wederkerend voornaamwoord

Slide 11 - Quiz

Het persoonlijk voornaamwoord (pers.vnw)
1. Het persoonlijk voornaamwoord verwijst naar een mens, dier of ding.
2. Het persoonlijk voornaamwoord staat op de plek van het zelfstandig naamwoord.

Karin heeft aan Ellen de fiets van de jongen gegeven.
Zij heeft aan haar de fiets van hem gegeven. 

pers.vnw                 pers.vnw                             pers.vnw  

Slide 12 - Slide

Die fiets is van jou.
jou=
A
Persoonlijk voornaamwoord
B
Bezittelijk voornaamwoord
C
Aanwijzend voornaamwoord
D
Zelfstandig naamwoord

Slide 13 - Quiz

Dit is niet jouw mobiel en ook niet van hem, maar het is mijn mobiel.
Welke bezittelijk vnw zie je?
A
jouw
B
jouw, hem
C
jouw, mijn,
D
jouw, hem, mijn

Slide 14 - Quiz

Die moeder van haar heeft mij goed geholpen.
A
haar=bez mij=pers
B
haar=pers mij=bez
C
haar=pers mij=pers
D
haar=bez mij=bez

Slide 15 - Quiz

Wij zullen elkaar daar nog over mailen.
"daar" =
A
aanwijzend voornaamwoord
B
zelfstandig naamwoord
C
bijwoord
D
voorzetsel

Slide 16 - Quiz

Ik ben benieuwd naar de cijfers.

"naar" =
A
voorzetsel
B
bijwoord
C
bijvoeglijk naamwoord
D
aanwijzend voornaamwoord

Slide 17 - Quiz

in, onder, voor, aan, van, boven, onder,,,,,
Tijdens, gedurende, naar, na, bij...

Slide 18 - Slide

Maak twee zinnen met het woord ‘jullie. In zin 1 is ‘jullie’ een persoonlijk voornaamwoord en in zin 2 een bezittelijk voornaamwoord.

1. Jullie = pers. vnw……………………………………………………………………

2. Jullie = bezit. vnw……………………………………………………………………

Slide 19 - Open question

Ik (her)ken de woordsoorten van jaar 1?
😒🙁😐🙂😃

Slide 20 - Poll

Tien minuten stil lezen. Leg alleen je boek op tafel.
Planning van vandaag:
Kleine terugblik met vragen.
Eventueel huiswerk bespreken.
Uitleg Grammatica woordsoorten 'Aanwijzend en vragen voornaamwoord'.
Klassikaal leerdoel check.

Aan het werk.
 

Wat gaan we doen vandaag?

Slide 21 - Slide

Cursus 7-§ 13-Werkwoordsvormen en wwtijden
Bekijk de zin: Deze rugzak vind ik veel handiger dan dat koffertje.

In deze zin zijn Deze en dat aanwijzende voornaamwoorden. Een aanwijzend voornaamwoord (aanw.vnw) wijst meestal een mens, een dier of een ding aan: deze jongen, dat varken, die jurk. 

Dit zijn de aanwijzende voornaamwoorden:
deze, die, dat, dit, zulk(e), zo’n, dergelijk(e), zelf, hetzelfde, dezelfde.

Slide 22 - Slide

Cursus 7-§ 13-Werkwoordsvormen en wwtijden
Een aanwijzend voornaamwoord kan voor een zelfstandig naamwoord staan, maar het kan ook alleen staan. 


In dat geval kun je het zelfstandig naamwoord er soms achter denken:


Slide 23 - Slide

Cursus 7-§ 13-Werkwoordsvormen en wwtijden
Joran kreeg een horloge voor zijn verjaardag en hij vond dat (horloge) het mooiste cadeau.

Een aanwijzend voornaamwoord kan ook terugwijzen naar een hele zin:


Mijn broer draait altijd keiharde muziek op zijn kamer. Ik vind dat (mijn broer altijd keiharde muziek op zijn kamer draait) erg storend.



Slide 24 - Slide

Cursus 7-§ 13-Werkwoordsvormen en wwtijden
Let op:

  • De woorden dat en die behoren tot meerdere woordsoorten; dat en die zijn alleen aanwijzend voornaamwoord als je ze kunt vervangen door dit en deze.

  • Woorden die een plaats of een richting aangeven (daar, daarheen, daarover, daarlangs), zijn geen aanwijzend voornaamwoord.

Slide 25 - Slide

Cursus 7-§ 13-Werkwoordsvormen en wwtijden
Bekijk de zinnen: Welke sport beoefen jij? Wat vind je daar zo leuk aan?

In deze zinnen zijn Welke en Wat vragende voornaamwoorden. Er zijn er vier: wie, wat, welk(e), wat voor (een). 

Een vragend voornaamwoord (vr.vnw) staat aan het begin van een vraag of aan het begin van een zin die gemaakt is van een vraag.


Slide 26 - Slide

Cursus 7-§ 13-Werkwoordsvormen en wwtijden
  • Wie gaat er mee naar de film? Boy vraagt aan zijn vrienden wie er meegaat naar de film.
  • Wat heb je vandaag gedaan? 
Rex informeert bij Roos wat zij vandaag gedaan heeft



Let op: 
de woorden wie en wat zijn geen vr.vnw als ze terugwijzen naar een eerder genoemd woord: 
Dat meisje op wie jij verliefd bent, woont bij mij in de straat. Alles wat hij aanraakte, veranderde in goud.

Slide 27 - Slide

Noem het aanwijzend voornaamwoord.
Dat jurkje vind ik geweldig!
A
Dat
B
jurkje
C
ik
D
geweldig

Slide 28 - Quiz

Wie heeft het schoolfeest georganiseerd?
Wie =
A
aanwijzend voornaamwoord
B
persoonlijk voornaamwoord
C
vragend voornaamwoord
D
bezittelijk voornaamwoord

Slide 29 - Quiz

Slide 30 - Link

Gebruik de theorie van blz.212 bij het maken van de opdrachten. 

Maken:
Cursus 5 paragraaf 2 online herhaling jaar 1
Cursus 5 Grammatica woordsoorten
§ 4 blz. 212

opdr.  1 in je schrift
opdr. 2+3 mag alleen met potlood in je werkboek
opdr. 4+5 in je schrift




Slide 31 - Slide

Tien minuten stil lezen. Leg alleen je boek op tafel.
Planning van vandaag:
Kleine terugblik met vragen.
Eventueel huiswerk bespreken.
Uitleg Grammatica woordsoorten 'Aanwijzend en vragend voornaamwoord'.
Klassikaal leerdoel check.

Aan het werk.
 

Wat gaan we doen vandaag?

Slide 32 - Slide

Ik (her)ken de aanwijzende en vragende voornaamwoorden?
😒🙁😐🙂😃

Slide 33 - Poll