herhaling grammatica en spelling AMN-toets

herhaling grammatica en spelling AMN-toets
1 / 17
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 4

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

herhaling grammatica en spelling AMN-toets

Slide 1 - Slide

onderdelen AMN-toets
kijken en luisteren
spelling
lezen
grammatica
werkwoordspelling

Slide 2 - Slide

spelling

Slide 3 - Slide

Welk woord is correct gespeld?
A
bacteriën
B
sleën
C
theorieen
D
melodiën

Slide 4 - Quiz

Welk woord is correct gespeld?
A
stationplein
B
vintache
C
stationsstraat
D
zonnenstraal

Slide 5 - Quiz

grammatica
zinsdelen
 (onderwerp, werkwoordelijk gezegde, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp en bijwoordelijke bepaling)

woordsoorten
(lw, vz, zn, bn, ww, v,vnw, avnw, pvnw, bvnw en tw

Slide 6 - Slide

Ik heb een nieuwe zonnebril gekocht.

Wat zijn de werkwoorden?
A
ik en zonnebril
B
heb en gekocht
C
een en nieuwe
D
nieuwe en zonnebril

Slide 7 - Quiz

Op de markt in Italië heb ik een armband gekocht.

Wat zijn de zelfstandige naamwoorden?
A
de en een
B
heb en gekocht
C
markt, Italië en armband
D
markt

Slide 8 - Quiz

Ik heb de tas naast de tafel gelegd.

Wat is het voorzetsel?
A
heb
B
de
C
tas
D
naast

Slide 9 - Quiz

Zij loopt door het park.
Wat is het persoonlijk voornaamwoord?
A
zij
B
loopt
C
door
D
park

Slide 10 - Quiz

Ik pak een pen.

Wat is het onderwerp?
A
ik
B
pak
C
een
D
pen

Slide 11 - Quiz

Ik pak een pen van de tafel.

Wat is het lijdend voorwerp?
A
ik
B
pak
C
een pen
D
van de tafel

Slide 12 - Quiz

Ik zou graag gitaar willen spelen.

Wat is het werkwoordelijk gezegde?
A
ik
B
zou graag
C
gitaar
D
zou willen spelen

Slide 13 - Quiz

werkwoordspelling
persoonsvorm tegenwoordige tijd t.t en o.t.t

persoonsvorm verleden tijd v.t en o.v.t

voltooid deelwoord

Slide 14 - Slide

Dat (gebeuren).... nou elke keer! t.t
A
gebeurd
B
gebeurt
C
gebeurde
D
gebeurdde

Slide 15 - Quiz

Dat is vaker (gebeuren). t.t
A
gebeurt
B
gebeurd
C
gebeurde
D
gebeurdde

Slide 16 - Quiz

De buurman (gluren) over de schutting. v.t.
A
gluurt
B
gluurdde
C
gluurde
D
gluurte

Slide 17 - Quiz